Interview met Ton Poels

Eén van de initiatiefnemers van Nijmegen Stad van Compassie is “Bij Bosshardt”, een ontmoetingsplek in de wijk Heseveld, die onder de mantel valt van het Leger des Heils. “Bij Boshardt” is een landelijke concept van het Leger des Heils, een ‘huiskamer’ in de buurt, waar iedereen – jong, oud, arm en rijk, allochtoon en autochtoon – welkom is. Zo kan men bij de “Bij Bosshardt’ in Nijmegen, aan de Molenweg 97, vrijblijvend terecht voor een kop koffie, een luisterend oor, gezellige maaltijden of andere activiteiten.

De activiteiten die door “Bij Bosshardt” worden georganiseerd worden bepaald door de wensen en behoeften in de buurt. Er werken meerdere vrijwilligers, waaronder gastheren en gastvrouwen, en er zijn mensen die de tweedehands kledingwinkel beheren. Eén van deze vrijwilligers is Ton Poels. Ton ontmoette ik al eerder, bij de allereerste Compassie Initiatievenavond die de netwerkorganisatie Nijmegen Stad van Compassie organiseerde in februari 2016.

Bij die ontmoeting bleef het in eerste instantie. Het was slechts een korte kennismaking, met een man die een hartelijke indruk wekte en die me, met een warme blik in de ogen en een vriendelijke lach rond de mond, de hand schudde en duidelijk blij was dat hij onderdeel uitmaakte van die enthousiaste eerste compassie ontmoetingsavond, als vertegenwoordiger van “Bij Boshardt”.

Nu was het tijd om eens kennis te maken met deze vrijwilliger – een van de vele die zich in Nijmegen inzet voor compassie. Het werd een open gesprek met iemand die zich inzet voor het warme contact met de medemens en voor wie het belangrijk is dat mensen elkaar zien en elkaar willen helpen. En voor wie compassie vooral verscholen ligt in het antwoord op de vraag: “Hoe kan je iets voor de ander betekenen?”

Ton, met welke kernwoorden zou jij jezelf omschrijven?

“Ik zou mezelf als eerste omschrijven als aardig. Iedereen zien, dat vind ik belangrijk. Lief zijn met elkaar, dat vind ik prettig. Voor mij betekent ‘lief zijn met elkaar’ voor een deel dat er minder ruzie is, dat er minder ‘kou in de lucht’ hangt. Dan ga je als mensen ook prettiger uit elkaar. Dat vind ik persoonlijk ook belangrijk, omdat ik anders blijf zitten met dat soort negatieve emoties.”

Wat voor vrijwilligerswerk doe je? En hoe ben je daarbij betrokken geraakt?

“Ik ben ongeveer twee jaar geleden begonnen met vrijwilligerswerk. Daarvoor heb ik langere tijd thuis gezeten, mede omdat ik werkeloos was en medicatie gebruikte in verband met een depressie.  Destijds had ik ook een dakloze broer in Amsterdam, die inmiddels is overleden. Via hem kende ik ook het Leger des Heils en het idee van de ontmoetingsplekken “Bij Boshardt”.”

“Toen ik twee jaar geleden stopte met mijn medicatie, keek ik naar de wereld en kreeg ik heel sterk het gevoel dat ik iets wilde gaan doen. Dat ik iets wilde betekenen voor de wereld. Ik ging toen op zoek naar vrijwilligerswerk en ontdekte zo dat er ook een “Bij Boshardt” in Nijmegen zat. Dus dacht ik: ‘Daar stap ik gewoon eens naar binnen.’ Ik kreeg vervolgens de kans om hier in de kledingwinkel te gaan werken. Of om gastheer te worden. En ik koos vervolgens voor het gastheerschap.”

“In diezelfde periode ben ik ook gaan werken bij Vluchtelingenwerk. Daar ben ik toen taalles gaan geven. Zo ontdekte ik over mezelf dat ik eigenlijk graag grapjes maak, dat ik liever wat lol wil maken en dat ik niet zo streng wil zijn om mensen tot de orde te roepen voor het leren. Dat past eigenlijk niet bij mij. Vervolgens leerde ik iemand kennen van de Kleurfabriek waar ik een heel leuk gesprek mee had over mijn werkervaring als peuterleider, wat ik voorheen was geweest.”

“Kort daarna stopte ik bij Vluchtelingenwerk en ben ik bij de Kleurfabriek gaan werken om samen met kinderen creatief bezig te zijn. Daarbij richt ik me vooral op het hier-en-nu van het kind. Dus niet op diens achtergrond, maar vooral op het fijn hebben samen, op deze plek en op dit moment. Dat vind ik belangrijk en dat is mijn doel.”

“Daarnaast  werd ik vrijwilliger bij het Roze Huis, waarbij ik bij erg veel activiteiten betrokken raakte. Toen kwam ik mezelf wel tegen, omdat ik eigenlijk te veel begon te doen. Ik raakte een beetje ontspoord, maar heb mezelf ook wel weer door die periode heen gewerkt.”

“Inmiddels ben ik stabieler, heb ik mezelf grotendeels gevonden. En nu doe ik drie dingen: ik ben sleutelfiguur bij Bij Boshardt. Ik ben als vrijwilliger pedagogisch werker bij het AZC. En ik ben gastheer bij de Herensalon in  het Roze Huis. Voor mij is het op die manier hanteerbaar en prettig.”

Wat houdt je werk als gastheer bij “Bij Boshardt” in?

“Als gastheer heet ik iedereen welkom, bied ik mensen een kopje koffie of thee aan en voer ik eventueel een praatje met wie dat wil. Voor 50 eurocent kan je hier ook een tosti krijgen. En op donderdag is er ook altijd soep. Ik heb daarnaast een sleutel, zodat de betaalde medewerkers niet altijd aanwezig hoeven te zijn. Zolang er maar een achterwacht is, met wie ik even kan bellen mocht er iets zijn.”

“Het werk kan soms best wel spannend zijn. Er lopen bijvoorbeeld soms, wat men dan noemt ‘verwarde figuren’ binnen, of mensen die min of meer in een andere werkelijkheid verkeren. Wanneer ze hier binnenkomen, dan is het voor mij wel even de vraag hoe ik daarmee om moet gaan. En vooral ook: ‘hoe krijg ik ze om twee uur ‘s middags, wanneer de huiskamer hier sluit, weer de deur uit?’ “Daarbij kijk ik ook even hoe de huiskamer op hem of haar reageert. Maar verder heet ik iemand net zo goed welkom. En heeft iemand een concrete hulpvraag, dan zal ik hem of haar helpen of doorverwijzen naar de desbetreffende hulpverlenende instantie.”

Wat brengt het vrijwilligerswerk bij Bij Boshardt jou?

“Voor een deel brengt mijn vrijwilligerswerk mij een stukje structuur in de week. Daarnaast zijn er iedere dag ook veel dezelfde mensen die langskomen, met wie je ook een band opbouwt: het valt je op als ze er niet zijn, je vraagt je af waar iemand dan is gebleven. Dat maakt dat ik mij ook veel meer verbonden voel. Laatst hadden we bijvoorbeeld ook een feestje waarbij we het 5-jarig bestaan vierden van “Bij Boshardt”. Toen heb ik ook gezegd: ‘Dit is eigenlijk mijn tweede familie geworden.’”

“Daarnaast is ’Bij Boshardt’  ook een plek waar mensen die langskomen vaak allerlei ‘rugtasjes’ hebben – psychische diagnoses als ADHD, borderline, autisme spectrum, of een andere vorm van een beperking. Toch  vind ik dat de mensen die hier komen juist heel authentiek zijn, omdat ze vooral heel erg zichzelf zijn. Dat maakt de labeltjes die we mensen opplakken alleen wat zichtbaarder.”

“Langzamerhand, nu ik zelf ook wat meer ben gaan groeien en mezelf wat verder heb ontwikkeld, denk ik ook regelmatig dat de mensen die ik ken vaak net zulke labeltjes hebben. Ze kunnen dat alleen iets beter verbloemen, met intellect, met woorden. Maar zoveel verschillen ze eigenlijk niet van de mensen die ik hier ontmoet. Ik wil daar dan ook nooit over oordelen.”

“Ik vind dat ook belangrijk: om niet te oordelen. Ook al weet ik dat dit soms best moeilijk is. Ik vind het belangrijk, omdat er – als je iemand labelt of over iemand oordeelt – al direct ruis in het contact is,  nog voordat je iemand eigenlijk leert kennen. Door een open blik te houden en je eigen oordelen bij jezelf te houden, kan je proberen dat te voorkomen. Dat is belangrijk, want het effect van labelen is dat je mensen in een hokje stopt. En misschien past dat hokje helemaal niet bij een persoon. Of heeft een persoon wel veel meer mooie eigenschappen en veel meer talenten dan dat ene kleine hokje waar je hem of haar in plaatst met jouw oordeel.”

Als ik daarbij het woordje compassie noem. Wat betekent dat woord voor jou?

“In de tijd waarin we leven, waarin alles wordt gedreven door marktwerking en wordt gemotiveerd door de vraag hoe je iets aan een ander kan verdienen, daarin vind ik compassie juist het tegenovergestelde. Compassie draait om de vraag: ‘Hoe kan ik iets voor een ander betekenen, zonder dat ik daar financieel rijker van word?’”

“Dat is voor mij compassie: de tegenwerkende kracht tegen marktwerking. De vraag: ‘Hoe kan ik aan een ander verdienen’, vind ik ook te veel aanwezig in deze tijd. Ik denk dat het juist zo mooi is dat je ook eenvoudig tegen iemand kan zeggen: ‘Dit vind ik leuk aan jou.’ Puur omdat je er iemand zo een blij gevoel mee kan geven. En zonder dat daar iets van financieel gewin tegenover hoeft te staan. Zo eenvoudig kan het zijn.”

“Ik herken die waarde ook als ik bijvoorbeeld door de buurt fiets terwijl ik me wat minder goed voel, of als ik me wat geïsoleerd voel. En dat iemand – een wildvreemde – dan gewoon ‘Hoi’ tegen je zegt. Zoiets kan veel met me doen. Dat geeft mij dan een warm gevoel en dat is ook compassie  voor mij. Het brengt mij een warm gevoel. Juist als je dingen geeft aan de ander, krijg je daar ook heel veel warmte voor terug.”

De godsdiensthistorica Karen Armstrong vertaalt, in het internationale Handvest voor Compassie, het woordje ‘compassie’ met de uitspraak: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Of positiever geformuleerd: ‘Behandel de ander zoals je zelf behandeld wilt worden.’

Wat vind jij van deze vertaling van het woord ‘compassie’?

“Dat vind ik eigenlijk een heel erg mooi vertaling. Vooral omdat je er door naar jezelf gaat kijken. Je gaat dan kijken naar wat je zelf ook niet prettig vindt. En je beseft vervolgens: als ik niet wil dat zoiets mij overkomt, laat ik dat ook een ander dan niet doen. Je leert jezelf er ook door kennen, want je komt jezelf daardoor ook heel vaak tegen. Je loopt in het leven toch vaak tegen kleine irritaties, of  vervelende emoties of conflicten aan. En dan is het zaak om toch ook naar jezelf te blijven kijken, naar wat er is gebeurd, naar wat je doet, om dat samen op te lossen met de ander.”

“Tegelijk is de andere kant ook dat ik persoonlijk soms best wel geneigd ben om, als iets niet goed gaat, alleen mezelf op de kop te geven. En daarbij niet meer kijk naar de verantwoordelijkheid van de ander. Terwijl ik het uiteindelijk ook niet allemaal zelf op hoef te lossen. Je deelt namelijk ook iets met de ander. Het komt van twee kanten. Compassie is in die zin ook niet grenzeloos. Je kan, zo heb ik het zelf ervaren, niet onbeperkt blijven geven aan een ander, zonder dat je er zelf aan onderdoor gaat. Dus compassie kan je heel veel leren, over jezelf en over jouw contact met de ander.”

Daarnaast mag je ook compassie met je zelf hebben. Jezelf vergeven , dat je niet perfect bent, je fouten maakt, en dat dat niet erg is. Je kunt van fouten leren en hoeft jezelf er niet door in de put te praten!”

Als we het hebben over een Stad van Compassie, wat roept zo’n stad bij jou op aan ideeën en dromen?

“Een Stad van Compassie is voor mij een stad waarbij mensen zonder smartphone in de hand lopen, waarbij het niet gaat om social media, om uiterlijk of om de laatste ‘like’.  Het is voor mij een stad zonder auto’s en met veel groen. Een plek waar mensen ook  grotendeels zelf groente en fruit verbouwen en waar we samen werken aan onze  omgeving. Het is een stad waar mensen elkaar zien en elkaar helpen, ook op gebied van biologische voeding en op gebied van duurzaamheid.”

Is in dat kader Nijmegen voor jou een Stad van Compassie?

“Ik weet nog dat ik naar de allereerste initiatievenavond van Nijmegen Stad van Compassie ging en daar iets van veertig ideële maatschappelijke organisaties ontmoette. Daar verbaasde ik me toen over. Dat er zoveel mensen zijn in de stad die iets voor een ander willen doen, die iets willen betekenen voor die ander. Dat vind ik fantastisch.”

“Toch zie ik dat in het algemeen in Nijmegen veel minder. Als ik door de straten van Nijmegen loop, zie ik vooral veel gehaaste mensen of ik merk dat mensen veel bezig zijn met geld. Ik zie dat er vaak te weinig tijd is voor elkaar. Bij het fietsen door de wijk zie ik vooral veel auto’s en asfalt en bij mij thuis hoor ik veel verkeerslawaai en zie ik erg weinig groen. Winst en geld wordt volgens mij in Nijmegen nog te vaak gekozen boven groen en duurzaamheid. Op gebied van Stad van Compassie kan daar wat mij betreft dan ook nog wel veel in gewonnen worden.”

Welke adviezen zou je Nijmegen geven om meer een Stad van Compassie te worden?

“Ik zou het fietsen meer willen stimuleren. Ik woon bijvoorbeeld in een flat waar de verkeersdrukte alleen maar is toegenomen en waar het zo druk is dat ik bijna de hele dag alleen maar verkeerslawaai hoor. Dus zorg ervoor dat auto’s niet meer de stad in kunnen. Ook zou ik het advies geven om het verbouwen en kweken van eigen fruit en groente veel meer te stimuleren.”

Welke actie verricht jij die volgens jou mensen tot meer compassie kan inspireren?

“Ik werk onder meer bij het jaarlijkse zomerkamp bij Wijchen, waar kinderen van het asielzoekerscentrum worden opgevangen. Om iets te betekenen voor die kinderen, dat geeft mij een heel warm gevoel. Ik haal daar veel voldoening uit. En ik denk dat zoiets zeker tot meer compassie kan inspireren.”

Ton Poels, hartelijk dank voor dit interview!

Nijmegen Stad van Compassie op Facebook