Interview met Noêma Celeste Neijboer

Er zijn vele manieren om Noêma Celeste Neijboer te leren kennen. Wie de wereld van cultuur en kunst in Nijmegen volgt, heeft vast een keer een interview of recensie van haar hand gelezen bij dé digitale cultuuragenda Nijmegen, Ugenda. Liefhebbers van poëzie en activerende taaluitingen zijn Noêma misschien al een keer tegengekomen bij het Poëziecentrum Nijmegen. Of anders misschien tijdens een workshop van Loesje, waar ze afgelopen jaar workshopgever was. Bewuste jongeren die op zoek zijn naar eigen vormen van spiritualiteit, verbinding en creativiteit, hebben Noêma wellicht een keer ontmoet bij een evenement van Eigentijdse Jongeren, een los/vast samenwerkingsverband van jongeren die met enige regelmaat plekken organiseren waar bewust jong Nederland elkaar kan ontmoeten.

Zelf ontmoette ik Noêma tijdens het organiseren van de Verhalendag 2018 door de Raad van Levensbeschouwing en Religie Nijmegen. Een middag waarbij mensen, aan de hand van verhalen en activerende werkvormen, kennis konden maken met de verschillende traditionele en moderne vormen en uitingen van levensbeschouwing en zingeving die Nijmegen rijk is. Daar verzorgde Noêma een creatieve workshop rondom het schrijven van verhalen, gedichten en zingeving.

Een jongere die zo actief is, op zoveel verschillende terreinen van cultuur, zingeving en moderne, eigentijdse spiritualiteit: wat zou zij te zeggen hebben over compassie, de gulden regel van Karen Armstrong en Nijmegen als Stad van Compassie? Tijd voor een interview!

Noêma, met welke drie kernwoorden zou jij jezelf omschrijven?

“Mijzelf?” vraagt ze. Ze denkt er even over na. “Dan in ieder geval met de woorden ‘nieuwsgierig’ en ‘creatief’. En ‘kritisch’,” knikt ze bij het derde woord. “Dat hoort wel bij mij.”

Laten we beginnen met het laatste woord. Wat bedoel je met je zelfomschrijving als kritisch?“

Ik ben allereerst kritisch vanuit mijn opleiding. Ik ben opgeleid als cultuurwetenschapper, met een masterspecialisatie in Creative Industries. Een academische opleiding waar je leert om vooral kritisch te kijken naar allerlei cultuuruitingen en ontwikkelingen in de samenleving. Je leert bijvoorbeeld reclames die je voorbij ziet komen op televisie te analyseren op de achterliggende boodschap. Of de hedendaagse nieuwsberichtgeving. Je leert te kijken naar welke vervormingen daarin plaatsvinden.”
“Mijn opleiding heeft me vooral geleerd om goed en kritisch te kijken naar de maatschappij. Om te blijven onderzoeken en kritische vragen te stellen. Als cultuurwetenschapper heb ik zo geleerd om niet alles klakkeloos aan te nemen, om verder te blijven kijken, verder te blijven denken. Maar kritisch ben ik ook wel op mezelf. Daar schiet ik niet altijd even veel mee op,” zegt ze met een lach. “Maar ook dat past wel bij me.”

Daarnaast noem je het woord ‘creatief’? Waar uit zich dat in?

“Ik ben veel bezig met poëzie, met schrijven en voordragen. Ik ben daarnaast redacteur bij Ugenda, de online culturele uitagenda van Nijmegen. Daarvoor ga ik naar concerten, bezoek ik exposities en allerlei andere culturele uitingen. Ik schrijf dan stukken over hoe ik die uitingen ervaar.”
“Ik beschouw ‘creatief’ daarnaast ook wel als het tegenovergestelde van fabrieks-achtige, repetitieve monotoonheid. Ik vind het fijn als het alledaagse niet altijd hetzelfde is. Ik hou van onverwachte, nieuwe dingen. Dingen die me aan het denken zette. Of die me een ander perspectief bieden. Die voor mij het vertrouwde enigszins vreemd kunnen laten voorkomen. Dat bedoel ik ook met een woord als ‘creatief’.”

En jouw ‘nieuwsgierigheid’? Waar schuilt dat in?

“Deels is dat verbonden met het kritische uit mijn opleiding. Ik hou ervan om meer te weten over cultuur. Om meer te leren over de maatschappij. Ik heb bijvoorbeeld een abonnement op de bibliotheek. Bij elk bezoek neem ik te veel mee. Want dan denk ik: ‘Oh, hier wil ik wel meer over weten. Oh, en daar zou ik meer over willen lezen.’ Ik ben ook altijd nieuwsgierig naar de wereld om me heen. Naar wat er gebeurt in de samenleving. Er is nog zoveel om te leren en te ontdekken. Maar met ‘nieuwsgierig’ bedoel ik ook ‘geïnteresseerd in de ander’. Ik ben bijvoorbeeld altijd geïnteresseerd in hoe het met de mensen om me heen gaat, met de mensen in mijn vriendenkring.”

Van alle activiteiten waar je je mee bezighoudt, welke speelt momenteel de grootste rol in je leven?

“Het is lastig om één ding te noemen. Dat heeft deels te maken met het gegeven dat het lastig is om in de culturele hoek van werk op één enkel ding te focussen. Vorig jaar heb ik bijvoorbeeld veel workshops gegeven bij Loesje. Maar door vermoeidheid is dat momenteel wat minder. Momenteel speelt poëzie wel de grootste rol in mijn leven. Op het moment van dit interview zitten we bijvoorbeeld midden in de poëzieweek. De nieuwe stadsdichter van Nijmegen wordt deze week bekend gemaakt. Daarnaast heb ik afgelopen december mijn eigen zakelijke website online gezet. Dus ik ben ook meer zakelijk bezig, als tekstschrijver, tekstredacteur en content creator.”

Tekstschrijver, tekstredacteur. Poëzie, schrijven, voordragen. Het heeft allemaal te maken met taal. Wat trekt jou aan het werken met taal?

“Er is een citaat van Drs. P dat ik erg mooi vind en dat het voor mij heel krachtig samenvat: ‘Taal is zuurstof’. Dat is erg kunstzinnig uitgedrukt. Maar sinds ik klein was merkte ik al dat ik een talent voor taal had. Complexe woorden sprak ik gemakkelijk uit. Het imiteren van klanken ging me goed af. Ik vind het ook mooi wanneer mensen taal kunnen inzetten op een manier die niet alleen iets beschrijft, maar ook daadwerkelijk taalkundig iets toevoegt aan de werkelijkheid.”

“Voor mij is taal niet hetzelfde als een camera die enkel observeert wat er gebeurt – en natuurlijk geeft een camera ook al een soort vervormd beeld van wat je ziet, door het soort lens dat je gebruikt. Hoe dan ook vind ik het niet interessant om met taal en woorden exact te kunnen omschrijven wat ergens is voorgevallen. Ik denk juist dat je met je woorden kleur en perspectief kunt toevoegen aan de werkelijkheid. Dat je, door poëzie op een bepaalde manier voor te dragen, met taal iets moois kunt toevoegen aan de werkelijkheid en aan de wereld.”

“Het bijzondere voor mij aan taal is dat het eigenlijk gewoon klank is. Schrift wordt in feite gevormd door simpele bogen en strepen op wit papier. Maar je kan je heel eenzaam voelen wanneer je ergens bent waar je de taal – die bepaalde klanken – niet beheerst. Je raakt geïsoleerd in de samenleving wanneer je niet de juist bogen en strepen op papier kan zetten om jezelf uit te drukken. Dat zijn hele fundamentele dingen, die voor mij aangeven hoe belangrijk taal eigenlijk is.”

Is er voor jou een verbinding te leggen tussen taal, poëzie en het woord compassie?

“Om poëzie te kunnen schrijven moet je kunnen voelen. Je kan met poëzie, met taal, uitdrukking geven aan emoties als verdriet en onmacht, aan blijdschap en vreugde. Dat lukt echter niet als je niet ook je hart ervoor openstelt. Je kan ook moeilijk poëzie schrijven als je je niet kan verplaatsen in de ander. Met poëzie kan je iemand anders beter leren begrijpen. En je kan ermee voor zorgen dat iemand jou beter begrijpt. Zodat iemand op die manier ook compassie kan voelen met jouw situatie. Compassie is volgens mij, net als poëzie, iets dat je moet voelen. Ja, je ‘hebt’ inderdaad compassie. Maar je voelt het vooral. Compassie is niet iets dat je rationeel weet. Het is iets dat je voelt.”

Wat voor gevoel is compassie voor jou?

“Het is in ieder geval niet één gevoel. Het heeft volgens mij voornamelijk te maken met je open stellen voor de ander en voor jezelf. Ik denk dat compassie vooral gevoel oproept. Of met zich meebrengt, of naar boven laat komen. Om een voorbeeld te geven: toen in Heumensoord de opvanglocatie voor vluchtelingen gevestigd was, was ik daar vrijwilliger bij de pop-up bibliotheek. Door daarheen te gaan, kreeg je compassie met de mensen daar, die er met duizenden zaten.”

“Zij hadden hun hebben en houden achtergelaten. Niet wetend hoe het af zou lopen, afhankelijk van wetgeving en politiek op een totaal andere plek, afhankelijk ook van wat anderen hen zouden geven. Het moment dat je daarmee geconfronteerd wordt – sommigen sluiten zich er vanaf, sommige mensen worden bang: het heeft hoe dan ook te maken met medemenselijkheid. Ik voelde me er, samen met die vluchtelingen, machteloos en verdrietig. Op die manier ervoer ik compassie.”

“Wat ik vooral bedoel is dat compassie dus niet altijd een positief gevoel is. Compassie is überhaupt voor mij moeilijk te koppelen aan één gevoel. Maar het zorgt er in ieder geval voor dat je stilstaat bij de verschillende perspectieven die er zijn in de wereld. Want je kan ook compassie hebben voor mensen die trouwen, dat je juist heel erg blij wordt van het geluk dat zij dan samen hebben. Of als iemand in je vriendenkring of familie een grote stap in zijn of haar ontwikkeling maakt. Je bent daar niet onverschillig over.”

“Dus ik denk dat compassie vooral beschouwd kan worden als alles dat het tegenovergestelde is van onverschilligheid, van afgeslotenheid. Ik zou compassie tegelijkertijd ook niet gelijk willen stellen aan medelijden. Er zijn bijvoorbeeld veel spotjes op televisie rondom allerlei goede doelen. Die roepen dat gevoel wel op, dat gevoel van medelijden, van: ‘Oh, wat zielig.’ Maar ik denk niet dat compassie daarover gaat.”

“Compassie gaat voor mij meer om de menselijke conditie. Dat we gemakkelijk vergeten hoe kwetsbaar we zijn. Dat iedereen altijd in allerlei situaties terecht kan komen. Dat wij ons daarin kunnen verplaatsen.”

Nijmegen Stad van Compassie laat zich inspireren door het Handvest voor Compassie. Met als kern daarbij de gulden regel van compassie van Karen Armstrong: ‘Wat gij niet wilt, doe dat ook een ander niet.’ Positief geformuleerd: ‘Behandel de ander zoals je zelf behandeld wil worden.’ Wat vind jij van deze ‘gulden regel’?

“Ik hoorde zelf voor het eerst over Karen Armstrong en haar compassie-begrip toen ik in mijn studietijd nog betrokken was bij jongerenorganisatie MasterPeace. We waren destijds bij een conferentie in Utrecht, waar allerlei workshops werden gegeven over compassie. Mensen van de internationale beweging van compassie, het Charter of Compassion, waren daar toen ook aanwezig. Daar ben ik voor het eerst met Karen’s uitgangspunt in aanraking gekomen.”

“Ik denk dat de formulering van compassie door Karen Armstrong een goed uitgangspunt vormt om de wereld mee over te gaan. Wanneer je graag wil dat iets groeit en verspreidt, dan moet je immers niet te ingewikkeld gaan doen. En ik geloof ook zeker dat het iets is dat in alle religies naar boven komt. Bovendien kan je je er ook in terugvinden wanneer je niet religieus bent. Dus ik denk dat het een hele goede, werkbare definitie van compassie is.”

“Wel is het zo dat het volgens mij heel logisch klinkt. Maar dat het in de praktijk toch vaak moeilijk uit te voeren is. Als je alleen al kijkt naar onze consumptie- en productie-maatschappij. Wanneer je het hebt over inleven: ik zou zelf ook niet graag in een fabriek als een dier opgesloten te zijn. Of – als ik de aarde zou zijn – dan zou ik het ook niet fijn vinden om voortdurend door ‘de mensheid’ uitgebuit te worden. Toch ontkom ik er niet – of heel moeilijk – aan dat ik soms een product koop dat wel aan die uitbuiting van milieu, dier of mens mee doet.”

“Ik ben ook wel eens chagrijnig of depressief. Dan doe ik ook niet zo aardig voor mijn medemens. Natuurlijk probeer ik dat wel. En ik maak het dan achteraf ook altijd wel weer goed. Ik denk daarom wel dat compassie vooral een bepaalde soort streven is. Een goed streven. Maar ook een streven waar ik me over afvraag of je het ooit helemaal ‘compleet’ in de praktijk kan brengen.”

Hoe denk je dat het compassie-begrip van Karen Armstrong zich voor jou wel in de praktijk laat brengen?

“In ieder geval geloof ik dat compassie een goede levenshouding kan zijn. Ik merk bijvoorbeeld dat mensen van mijn eigen leeftijd, die zich niet perse vanuit religieus perspectief bezighouden met hoe je je leven goed kan inrichten, vooral de uitdrukking gebruiken: ‘Don’t be an asshole.’ Voor hen is dat de vlotte, hippe en eigen vertaling van het uitgangspunt: ‘Behandel de ander zoals je zelf behandeld wil worden.’ Een simpel, helder principe: behandel elkaar met respect.”

“Daarnaast is het volgens mij belangrijk om bij een dergelijk uitgangspunt ruimte te houden voor individuele verschillen. Om een voorbeeld te noemen: de een vindt het fantastisch om uitgedaagd te worden in zijn of haar wereldbeeld, om de eigen meningen te toetsen. Terwijl iemand anders juist iets heeft van: ‘Laat me alsjeblieft met rust. Laat me in mijn waarde. Ga niet al te veel met me in debat, want dat voelt voor mij als een aanval.’”

“Het Handvest voor Compassie is in die zin denk ik geen eenduidig handvat of eenlijnig manifest. Compassie heeft voor mij vooral te maken met je kunnen inleven in de ander. Maar ook: met kunnen aangeven wat je voor jezelf belangrijk vindt. Dat je luistert. Naar de ander. Naar jezelf. En dat je er niet klakkeloos vanuit gaat dat wat jij zelf fijn vindt, iedereen ook fijn vindt.”

Dit interview staat in het kader van Nijmegen als ‘Stad van Compassie’. Wat stel jij je voor bij het idee van een ‘Stad van Compassie’? Van wat voor soort stad droom jij als jij zoiets hoort?

“Ik moet dan direct denken aan een aantal regels uit het gedicht ‘Er was eens een land’, in mijn gedichtenbundel ‘Zachte kracht’,” antwoordt Noêma. Ze draagt een fragment voor:

Er was eens een stad

waarin iedereen vergat dat leven en wonen

niks met bezit te maken had

Een stad zonder muren

waar buren en vrienden synoniem zijn

En het grootste geheim blijft verborgen

onder de grond, in de golven

met de wind tussen de lucht

“Natuurlijk weet ik dat dit wel een heel erg geïdealiseerd beeld is,” vervolgt ze. “Je kan bijna geen stad hebben zonder muren. Maar het idee is dat muren je heel erg afscheiden van elkaar. De dichtregel ‘waar buren en vrienden synoniem zijn’, drukt voor mij uit dat veel mensen juist dat synoniem helemaal niet zo vanzelfsprekend vinden. Want wanneer je het hebt over iemands buren, krijg je vaker een reactie als: ‘Ik ken ze niet eens.’ Of: ‘Als ik maar geen last van ze heb.” Maar zelf vind ik het juist erg fijn dat ik bijvoorbeeld op deze plek een goed contact heb met mijn buren. Dat hoort voor mij bij een Stad van Compassie.”

“Wat ik daarnaast voor me zie is een stad waar veel aandacht en ruimte is voor objecten en communicatie-uitingen in de openbare ruimte, die niet te maken hebben met economisch verkeer. Dat de uitingsvormen die je tegenkomt in een stad niet enkel gaan om verkeersregels en reclame. Dat er veel muziek is. En kunst die ‘bottum-up’, dus samen met de bewoners, is gemaakt of is geplaatst, zonder allerlei gemeentelijke bureaucratie en vergunningsaanvragen. Dat het uitingen zijn van de inwoners zelf. Uitingen die bovendien niet alleen wettelijk legaal, maar vooral ook heel normaal zijn.”

“Ook – en het klinkt misschien wat ouderwets – geloof ik dat er in een Stad van Compassie veel buiten wordt gespeeld. Ik zie tegenwoordig kinderen helemaal niet veel meer buitenspelen. Terwijl ik juist denk dat buitenspelen een goede manier is om op jonge leeftijd al met compassie bezig te zijn. Het is iets heel anders dan uitgenodigd worden bij iemand, binnen in een afgekaderde ruimte, en daar spelletjes te spelen achter een scherm. Niet dat daar perse iets mis mee zou zijn. Maar buitenspelen is veel organischer. Er gaat bij het buitenspelen ook een heleboel mis. Je valt. En dan probeer je elkaar te troosten en probeer je lief voor elkaar te zijn. Je leert samen een spel te creëren.”

“Een Stad van Compassie is voor mij ook een plek waar burgers veel gehoord worden. Dus niet alleen wanneer er gestemd moet worden. Het is een stad waar verbindingen worden gelegd, waar veel buurtfeesten zijn, waarbij alle generaties naar buiten komen om samen te barbecueën. Het is in ieder geval niet alleen de plek waar je verblijft, totdat je weer naar je werk moet.”

“En tot slot komt een Stad van Compassie voor mij ook tot uiting in de architectuur van de stad. Ik zie veel ronde vormen voor me. Dat is in mijn studie ook naar boven gekomen: vormen maken verschil in hoe je dingen ervaart. Toen ik in Barcelona was bijvoorbeeld, met de organische architectuur van Gaudi. Ronde vormen roepen een hele andere sfeer op dan rechte hoeken en grijze kleuren. Een Stad van Compassie kent voor mij daarin veel natuurlijke elementen. Niet alleen met veel parken, maar ook in en bij gebouwen, waar gewassen op en in kunnen groeien.”

Vind je Nijmegen al een Stad van Compassie?

“Ik denk dat je er op verschillende manieren naar kan kijken. Aan de ene kant is Nijmegen natuurlijk gewoon een stad. Mensen gaan er naar hun werk. Ze doen er hun boodschappen. Er gebeuren nog steeds dingen die zorgen baren. Mensen hebben soms weinig oog voor elkaar. Aan de andere kant is Nijmegen sowieso een linkse stad. Van daaruit heeft het gemeentebestuur volgens mij wel aandacht voor zaken die te maken hebben met compassie.”

“Nijmegen kent ook veel plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en kunnen helpen. Het Huis van Compassie is daar een voorbeeld van. Voor jongeren denk ik als goede voorbeelden aan Jimmy’s-024, als talentenbroedplaats en jongerennetwerk in Nijmegen. En Ixta Noa, die met hun mogelijkheid tot inloop en ervaringsdeskundigheid mensen steun bieden bij psychische kwetsbaarheid. Ook heb je bijvoorbeeld de Nijmegenaar van het Jaar 2019, Linda van Aken, van de Vincentius Vereniging, die zich met haar huiskamer in Lindenholt inzet tegen armoede en eenzaamheid in Nijmegen. Dus ik heb zeker wel het idee dat er compassie broeit in de stad.”

Welke adviezen zou je ons geven om van Nijmegen nog meer een Stad van Compassie te worden?

“Ik zou vooral adviseren om naar basisscholen en middelbare scholen te gaan. Om daar lessen aan te bieden met een interactieve opdracht, waarmee je kinderen met compassie in contact brengt. Laat jongeren zien dat dit lokale initiatief van Nijmegen verbonden is aan een wereldwijde beweging. Het is altijd goed dat jonge mensen ervan horen. Dat kan bijvoorbeeld bij een les als filosofie of levensbeschouwingen.”

“Maak daarbij gebruik van liedjes, van gedichten, van raps, van allerlei cultuuruitingen van de jongeren zelf, waaruit compassie blijkt. Dat is herkenbaar voor ze. En laat jongeren vooral ook zien dat ‘compassie’ niet altijd expliciet benoembaar hoeft te zijn. Compassie lijkt immers vaak in de hoek van ‘zelfhulp’ te zitten. Het wekt de indruk dat het met psychische problemen te maken zou hebben. Terwijl het juist ook iets is dat in je dagelijkse leven aanwezig kan zijn.”

“Als jongeren bijvoorbeeld op school gezamenlijk een moestuintje onderhouden, dan zijn ze ook al bezig met compassie met de natuur. Of wanneer ze goed proberen te luisteren naar vrienden. Dus ik zou compassie in de les vooral niet te groot voor hen te maken. Laat ze zien dat compassie juist niet in een soort superieure moraliteit schuilt. Maar dat het zich uit in de details van het handelen. In de omgang met vrienden en de mensen om hen heen, in het dagelijkse leven.”

Tot slot: welke actie of acties wil jij noemen, die volgens jou een goed voorbeeld vormen van compassie?

“Onlangs heb ik, voor platform ‘Overlevenskunsten’, poëzie voorgedragen. Volgens mij heeft poëzie voordragen zeker iets te maken heeft met compassie, omdat ik daarmee iets naar boven probeer te halen waar andere mensen misschien iets kunnen herkennen of wellicht troost uit kunnen halen.”

“Daarnaast probeer ik wekelijks te mediteren. Dat doe ik bij Gezellig Nijmegen aan de Ganzenheuvel 56. Gezellig Nijmegen, een ontmoetingsplek waar Nieuwe Nijmegenaren en Nijmegenaren die al langer in de stad wonen op informele wijze met elkaar kunnen kennismaken, is een locatie die volgens mij sowieso al veel met compassie te maken heeft. En hoewel ik soms liever thuis blijf mediteren, is hun mogelijkheid tot meditatie, iedere woensdag, heel laagdrempelig. Ook dat is voor mij nauw verbonden aan compassie.”

Hartelijk dank voor dit interview, Noêma!

Tekst: Rogier Teerenstra

Foto: Evelien Buynsters

Nijmegen Stad van Compassie op Facebook