Interview met Nicolette Hijweege

Nicolette Hijweege-Smeets (Berkel en Rodenrijs, 1966) studeerde psychologie, godsdienstwetenschappen en godsdienstsociologie in Nijmegen. Zij was universitair docent aan een opleiding tot geestelijk verzorger en is al ruim vijf jaar coördinator van het COiL, het Centrum voor Ontmoeting in Levensvragen in Nijmegen. Ze is hier in haar element: zij zet zich met veel passie in voor mensen die tijdelijk ondersteuning op het gebied van zingeving bieden aan mensen die dat nodig hebben. Nicolette woont al een kwart eeuw, samen met haar gezin, in een woongemeenschap in een voormalig klooster in Sambeek (bij Boxmeer), een boeiende maar ook uitdagende manier van samenleven vanuit deze overtuiging: ‘We willen de traditie op een eigentijdse manier vormgeven, en opvang aanbieden aan mensen die tijdelijk geen huis hebben. Daaraan dragen we allen op een eigen manier en naar vermogen bij’.

Kun je je kort aan ons voorstellen? Waar ben je geboren en opgegroeid, en hoe was de gezinssamenstelling bij jullie thuis?

Ik ben van synodaal gereformeerde huize en de jongste van vier kinderen. Mijn geboorteplaats is Berkel en Rodenrijs bij Rotterdam, maar daar bleven we niet lang. Omdat mijn vader belastingconsulent was en aanvankelijk om de vier jaar een andere locatie kreeg, hebben we als gezin op nogal wat plaatsen in Nederland gewoond. Toen ik vier was verhuisden we naar het dorpje Twello in Gelderland, waar ik tot mijn achttiende gewoond heb. Daarna ging ik naar Nijmegen om psychologie te studeren.

Kun je iets vertellen over je jeugd en over het gezin waarin je opgroeide? Zijn deze jeugdjaren vormend geweest voor je kijk op de verhouding tussen mensen?

Ik groeide op in een tijd waarin de verzuiling nog best een realiteit was in Nederland. Mijn ouders waren maatschappelijk betrokken mensen, die nauw verbonden waren met de kerk. Toen ik een klein meisje was kwam er in Twello net een gereformeerde kerk waarvoor mijn ouders zich enorm ingezet hebben. In de slipstream daarvan ontwikkelde zich ook mijn eigen sociale engagement. Ik nam regelmatig deel aan acties die vanuit de kerk werden georganiseerd. Blije herinneringen heb ik bijvoorbeeld aan de ‘sinaasappelacties’: we gingen met sinaasappels langs de deuren om geld in te zamelen voor mensen die het nodig hadden, en ik genoot van die gezamenlijke acties en de daaraan verbonden bedrijvigheid. Ook vond ik het inspirerend om mee te denken over de opzet van jeugddiensten in onze kerk.

Mijn vader vond het vreselijk dat ik voor mijn studie naar Nijmegen ging: een rooms-rood bastion noemde hij het. Toen ik 21 was kreeg mijn vader kanker en hij overleed een klein jaar nadat de eerste verschijnselen zich openbaarden. Dat was een zeer ingrijpende gebeurtenis. Tijdens zijn ziekteperiode onderbrak ik mijn studie voor drie maanden om er thuis voor mijn vader te zijn. Ik studeerde cultuur- en godsdienstpsychologie en in dat kader volgde ik de cursus ‘rouw en religie’, zeer toepasselijk op dat moment. Ik genoot in die jaren enorm van de colleges, zoals die over sub- en jeugdculturen. Ik vond het fascinerend te ontdekken wat cultuur en godsdienst met mensen doen, en ook omgekeerd: wat mensen met cultuur en religie doen.

We ontmoeten elkaar vandaag rondom het thema ‘compassie’. Wat zijn voor jou belangrijke bronnen van inspiratie om op een compassievolle manier in het leven te staan?

Aan het begin van mijn studietijd werd ik lid van de Nijmeegse Studentenkerk. Daar maakte ik kennis met de muziek van Huub Oosterhuis. Het visioen van, en verlangen naar, een wereld van gerechtigheid sprak me erg aan. Ook de boeken van schrijfster en journaliste Oriana Fallaci, met haar rauwe manier van verslaglegging over de waanzin van geweld, raakten me.

Je steekt veel tijd, energie en liefde in het COiL, het Centrum voor Ontmoeting in Levensvragen in Nijmegen. Dat doe je deels als professional, maar ook als vrijwilliger. Vanwaar deze keuze en inzet?

Het is een prachtig centrum. Het is prachtig om te kunnen werken met, en voor, mensen. Onze vrijwilligers zijn stuk voor stuk fijne en gemotiveerde mensen die veel inzet voor anderen hebben. In mijn beleving dragen we met het COiL een klein beetje bij aan het realiseren van dat visioen van Oosterhuis: ‘deze wereld omgekeerd; dat lachen zullen, zij die wenen’. Iedereen brengt daar zijn eigen kleur en zijn eigen smaak in.

Van wetenschap en het docentschap naar zorg. Was dat een grote overgang?

Ik ben docent geweest aan een opleiding tot geestelijk verzorger. Daar kwamen veel bevlogen mensen die een ‘tweede kans’- studie gingen doen, die het carrière maken wel hadden gezien en voor verdieping gingen. Datzelfde vind ik terug bij het COiL: mensen die betekenisvolle gesprekken willen voeren met kwetsbare mensen, en daarin ook de eigen kwetsbaarheid en onmacht onder ogen durven zien. Eigenlijk doe ik nu hetzelfde als in Utrecht, maar hoef ik niets meer na te kijken. Heerlijk!

Dankzij ons centrum kom ik nu,  veel meer dan destijds in Utrecht, in contact met (het klinkt heel stom) ‘gewone mensen’. Ik kom bij mensen thuis. Ik kom in situaties die ik niet voor mogelijk had gehouden en waar mensen proberen een goed leven te leven, soms tegen de klippen op. Dat aandachtig luisteren naar de thema’s waar mensen mee worstelen is heel verrijkend. Soms voelt het echter ook als met je laarzen in de blubber staan. Ik heb het nodig om daar van tijd tot tijd even uit te komen, er even boven te zweven. Ik wil dan even naar de abstractie toe: even een ruimte creëren van waaruit weer nieuwe hoop ontstaat.

Ik denk dat ik me lange tijd niet heb gerealiseerd dat ik in een heel bevoorrecht compartiment van de samenleving zit. Ik heb het niet aan mezelf te danken dat ik zit waar ik zit. Ik heb geluk gehad, en er hoeft maar weinig te gebeuren of het ontvalt me. Dat heb ik me niet alleen in dit werk, maar ook in de contacten met de gasten die bij ons in de woongemeenschap tijdelijk opgevangen worden gerealiseerd.

Het COiL werkt aan het geestelijk welzijn van burgers, en probeert te  voorkomen dat mensen in een isolement raken. Is er volgens jou veel dreigend isolement in de Nijmeegse samenleving?

Ik denk dat mensen regelmatig met een nog niet benoemde onrust, en daarmee mogelijk met hun ziel, onder de arm lopen. Er zijn heel wat mensen die het gevoel hebben dat ze niet gehoord worden. Ook schaamte om je bloot te geven speelt een rol. Durf ik mijn onrust en mijn zoektocht, dat wat uitdrukking zoekt, met anderen te delen? Bij onze vrijwilligers kunnen mensen al vertellend en zoekend op verhaal komen, in het besef dat zij er morgen niet op vastgepind worden. De contacten bieden vrije ruimte.

Mensen kunnen bij ons vrijuit praten, juist omdat de gesprekspartner geen familie is. Voorbeeld: bij een familieconflict kan het moeilijk zijn om daar met de betrokkenen direct over te spreken. Mensen voelen zich niet vrij, terwijl het probleem als een steen op het hart drukt. In gesprek met onze vrijwilliger is er ruimte om je uit te spreken. De thematiek of het dilemma wordt al vertellend verkend, geordend en van verschillende kanten bekeken. Daardoor ontdekt de cliënt langzaamaan wat de betekenis van die ervaring voor het ‘zelf-verstaan’ is, wordt hij mogelijk innerlijk sterker, en dat draagt weer bij aan eigenwaarde en aan kracht en welbevinden.

Als een van de vrijwilligers van het COiL persoonlijk moeilijk zit, dan ga je het liefst zelf op huisbezoek. Wat is je beweegreden om je op deze manier om je medewerkers te bekommeren?

Goed coördinatorschap betekent voor mij dat je er voor je vrijwilligers bent. Zij zijn de mensen met wie ik werk, zij doen het werk.  Oog hebben voor hen en wat er bij hen speelt is voor mij erg belangrijk. Daarbij realiseer ik me wel dat ik als coördinator een bescheiden rol speel in het leven van mensen. Ik ben dan ook vaak zoekende naar afstemming: wat is, gegeven mijn rol, passend en mogelijk. En ook: hoe verhouden ‘naar binnen gericht zijn’, dus gericht zijn op de vrijwilligers, en ‘naar buiten gericht of cliëntgericht zijn’ zich tot elkaar?
Die reflectie op passend handelen tekent mij wel, denk ik. Dat heeft iets ‘zwaars’, maar gelukkig komt het regelmatig voor dat een vrijwilliger of collega zegt: ‘Ik hoorde je lachen, dus ik wist dat je er was’. Het verwonderen over en plezier hebben in elkaar, en het samen vorm geven aan het COiL, is in het samenspel met de vrijwilligers en de organisatie belangrijk voor me.

In 2004 ben je gepromoveerd op het onderwerp: ‘Bekering in bevindelijk gereformeerde kring’. Vanwaar die belangstelling voor deze tak van het protestantisme en met name het aspect van bekering?

In mijn studie vond ik de colleges cultuur en godsdienstpsychologie prachtig. Ik legde me voornamelijk toe op de godsdienstpsychologie en ik wilde heel graag daarin verder, maar hoe? Onderzoek leren doen leek mij daarvoor voor mij de meest aangewezen weg. Toen mijn interesse naar een AiO-plek werd gepolst was ik meer dan blij. Mijn promotor Jaap van Belzen kwam met de thematiek. Hij is afkomstig uit Arnemuiden en fietste altijd met jongens uit de zware hoek over de dijk. Ze spraken dan ook over ‘de bekering’. Hij wilde die bevindelijke ervaring van bekering graag vanuit de (godsdienst)psychologie bestuderen.

De ‘weg van bekering’ is in bevindelijke kring iets bijzonders. De idee is dat ieder mens bekering nodig heeft, maar dat maar een beperkt aantal mensen ‘van eeuwigheid’ is uitverkoren om bekeerd te worden. Je moet er in je leven op gericht zijn, je ‘moet’ er naar verlangen en er naar leven, maar je kunt het niet ‘doen’.  Het wordt aan jou gedaan. En onrechtmatige toe-eigening van de bekering (dus zeggen dat je bekeerd bent terwijl je dat niet bent) zal je naar de hel brengen. Die vraag naar bekering dragen bevindelijken een leven lang met zich mee, en houdt een zekere bestaansonzekerheid in. Hoe gaan mensen daarmee om, hoe is die spanning van invloed op de manier waarop zij hun leven vormgeven? In mijn onderzoek heb ik veel mensen geïnterviewd, en de vertelde verhalen op verhaalstructuur en subtiele veranderingen in taalgebruik geanalyseerd. Uit die analyses kwamen niet alleen bevorderende en belemmerende factoren in het krijgen van zekerheid rond de eigen ‘staat’ van bekering naar voren. Inzichtelijk werd ook dat subtiele veranderingen in taalgebruik gezien konden worden als indicatoren voor het al dan niet toe-eigenen van, en zekerheid krijgen rond, de eigen staat.

Voor het schrijven van je proefschrift verbleef je diverse keren langere tijd in een klooster.…..

Ja, ik  woonde en werkte in een prachtig rooms katholiek zustersklooster in Maarssen. Tijdens een viering gebeurde het volgende: de priorin was slechtziend en had die dag veel te veel wijn in de kelk gedaan. Hoewel we met weinigen waren moest die kelk leeg, dus deze bleef rondgaan tot er niets meer in zat. Toen voelde ik: ‘Er is overvloedige genade’. Ik dacht toen ook aan de tobberigheid van de bevindelijk-gereformeerden die ik gesproken had. Stond hun tobberigheid rond de bekering de ervaring van die overvloedige genade niet in de weg?

Wat betekent die grenzeloze genade in jouw leven?

Ik raak emotioneel zodra jij die grenzeloze genade van God noemt. Wat betekent dat voor mij? Op de eerste plaats betekent het dat we er allemaal mogen zijn. Daarnaast zijn we op deze plek op aarde zó enorm bevoorrecht en zó overvloedig bedeeld, dat ik me daarbij alleen maar klein en nederig kan voelen, en ontzettend dankbaar. De overvloedige toebedeling houdt voor mij ook een appèl in: dat we iets van ons leven ‘moeten’ en ‘mogen’ maken, en dat we verantwoord ‘moeten’ omgaan met wat we ontvangen hebben.

Is het geloof ook belangrijk voor jou persoonlijk? In hoeverre put je er de inspiratie uit om voor anderen klaar te staan?

Het geloof is verweven met wie ik ben. Bijbelvast ben ik niet, en ik ben in de loop van de tijd ook steeds minder kerks geworden. Voor mij heeft het geloof veel te maken met zingen en poëzie. Ook hier speelt Huub Oosterhuis een belangrijke rol, maar ook bijvoorbeeld Karel Eijkman, die een eigentijdse vertaling van de Psalmen heeft gemaakt. Prachtige teksten die het voor mij dichterbij brengen.

Anders dan mijn man Wim heb ik niet Jezus als mijn grote voorbeeld. Ik neem niet zo gemakkelijk grote woorden over God en Jezus in mijn mond. Dat weet ik eigenlijk allemaal niet zo goed. Wel is er een basis van (toe)vertrouwen, en je geborgen en gedragen (willen) weten door God, de oorsprong van al wat leeft. Dat we niet verloren lopen, niet in chaos en on-zin ten onder gaan.

Het maken van vieringen is voor mij een fijne manier om met het geloof bezig te zijn. In het klooster waar ik woon hebben we eens in de maand een Taizéviering, en eens per kwartaal ben ik aan de beurt om de viering samen te stellen. Jarenlang heb ik wekelijks een viering voorbereid. Daar genoot en geniet ik van. Die taal drukt iets uit en wekt iets in mij, waardoor ik zoekend en vragend mijzelf, mijn naasten en de wereld durf over te geven, los te laten en er vertrouwensvol in kan handelen.

De levensbeschouwelijke gesprekken tijdens intervisies met de vrijwilligers dragen er toe bij dat andere zienswijzen, en verbanden tussen levensbeschouwelijke zienswijzen, meer tot me komen. Het samen spreken over die zoektocht naar betekenisgeving aan het (eigen) leven, in of in relatie tot een transcendent perspectief, vormt één van de drijfveren in mijn leven.

Koffiemoment tijdens een klussendag in ‘Het Kloosterhuis

Je woont met je man en twee dochters in een woongemeenschap in een voormalig klooster in Sambeek. In hoeverre is dit bepalend geweest voor je leven?

Ik kwam daar 25 jaar geleden als gereformeerd meisje wonen toen ik nog werkte aan de universiteit. Ik was er van overtuigd dat ‘zoals wij het doen, is hoe het hoort’. Maar ik heb in onze woongemeenschap veel bij geleerd: ‘het huis is mijn belangrijkste leerschool’ als het gaat over hoe ik me tot anderen met andere leefstijlen kan/wil verhouden. We hebben een paar simpele leefregels, en een van de belangrijkste is dat niemand de baas is. We dragen het huis en de doelstellingen met elkaar, maar geven elkaar geen opdrachten. Wie vindt dat de gang gedweild moet worden gaat zelf aan de slag. We moeten er aldoor met elkaar zien uit te komen, en daarin zoeken we elkaar steeds. Het wonen in ‘het huis’ houdt een voortgaande afstemming in. Hoeveel ruimte neemt de gemeenschap en hoeveel ruimte heb je voor jezelf? Dat was en is een leerschool waarin alles steeds anders kan en ook goed kan zijn.

We wonen er met ongeveer dertig mensen, waarvan een vaste bewonersgroep die heel stabiel is. We zijn al 25 jaar bij elkaar. We overlopen elkaar niet en hebben onze eigen privévertrekken. Anderen bemoeien zich niet met de opvoeding van mijn kinderen, wat ze ook vooral niet moeten proberen! (Lacht erbij). Naast de vaste bewoners zijn er ook gastenkamers voor mensen die tijdelijk geen huis hebben en zijn er kamerbewoners. Zij wonen voor langere tijd in ‘Het Kloosterhuis’ maar dragen niet de verantwoordelijkheid voor de stichting. Verder hebben we vier eenheden voor mensen met een verstandelijke beperking.

Hoewel ik ook in mijn studententijd wel wat mee had gemaakt rond ziekte en overlijden vond de eerste ‘echte’ confrontatie met de harde wereld plaats in ons huis. Onze gastenkamers zijn er voor mensen die tijdelijk geen dak boven hun hoofd hebben. Dat kan zijn omdat ze vluchteling zijn, het kan zijn omdat ze net uit een relatie komen die heel fout voor hen was, of omdat ze een verslaving hebben gehad. Ik ben onder de indruk geraakt van de enorme veerkracht van mensen. Zo hebben we vrouwen gehad die totaal in de kreukels bij ons aankwamen, en die na een half jaar weer rechtop stonden. Ik vond dat zó bijzonder. Mijn geloof in mensen en in de kracht van mensen is mede hierin geworteld.

Je bent niet alleen wetenschapper, docent en coördinator maar je bent ook goed in de meer ambachtelijke dingen van het leven. Je bakt bijvoorbeeld graag koeken die je meebrengt naar bijeenkomsten. Welke rol spelen dit soort eenvoudige en praktische dingen voor jou?

Het is voor mij een manier om met beide benen op de grond te staan, uit mijn hoofd te komen, weer terug te keren op aarde. Daarnaast is het ook een manier om waardering en zorg uit te drukken voor mensen. Maar inmiddels nemen de koeken af en neem ik vaker mandarijntjes en ander fruit mee, omdat veel mensen dat gezonder vinden.

Nicolette, wat zou je ons, kort samengevat, nog willen meegeven?

Ik kan niet genoeg benadrukken dat we het met elkáár doen, dat we elkaar nodig hebben. Maar ook al leven en werken we samen, een feit blijft dat de ander ten diepste weer heel anders is dan ik, ook al zijn we één grote familie en lijken we op elkaar. We moeten elkaar steeds zoveel ruimte gunnen dat de ander ook altijd ‘nee’ kan zeggen. We moeten er dus altijd voor waken dat we de ander niet in dienst van onszelf zetten, want dat kan ongemerkt en zonder kwade bedoelingen wèl gebeuren. We hebben eigenlijk nergens recht op. Alles is genade. Maar om dat ècht te leven, dat is nog weer wat anders.

Een weg om dat te leven wordt mogelijk aangereikt in de tekst van Huub Oosterhuis die dit jaar uitgangspunt vormde voor onze kerstwens vanuit het COiL:

Dat wij elkaar bewaren

niet wetend wat nog zal komen

en niet vergeten te spelen

het snarenspel van liefde.

 

Tekst: Bert Janssen

Nijmegen Stad van Compassie op Facebook