Interview met Frits Mertens

Tijdens de ambassadeursavond voor Nijmegen Stad van Compassie eind september 2016 betrad ook Frits Mertens, als vrijwilliger betrokken bij hulpdienst Sensoor, het podium. Frits hield die avond, op zachte toon en op weloverwogen wijze, een betrokken verhaal over zijn vrijwilligerswerk bij Sensoor, de hulpdienst met échte aandacht, en over de bijzondere verbinding tussen compassie en luisteren.

Reden te meer om Frits uit te nodigen voor een interview en hem verder te bevragen op zijn ideeën over compassie en over Nijmegen als Stad van Compassie. Het werd een diepgaand gesprek, over de waarde van het luisteren naar het verhaal achter het verhaal, over het belang van ‘de gulden regel’ en over compassie als ijkpunt voor handelen…

Frits, wat is je achtergrond?

“Ik heb twintig jaar gewerkt bij het Titus Brandsma Instituut. Daar heb ik met name twee dingen gedaan. Ik heb er onderzoek verricht naar spiritualiteit in het maatschappelijke veld. Met name de opvatting over spiritualiteit bij mensen die werken in de profit-sector. Daarnaast heb ik geholpen om een school op te richten waar mensen worden opgeleid tot geestelijk begeleider. Bij die school ben ik jarenlang coördinator en trainer geweest. Ik gaf verschillende trainingen, onder andere op het vlak van gespreksvaardigheden. Inmiddels ben ik mantelzorger voor mijn vrouw en werk ik als vrijwilliger bij Sensoor.”

Je hebt diepgaand onderzoek verricht naar spiritualiteit. Hoe is je interesse daarin ontstaan?

“Dat begon eigenlijk toen ik als jongen van 18 het boek ‘Oosterse Renaissance’ van Han Fortmann las. Ik heb vervolgens in Nijmegen cultuur- en godsdienstpsychologie gestudeerd. Han Fortmann hield zich vooral bezig met de vraag wat belangrijke factoren in een mensenleven zijn, over alle culturen heen, die goed zijn voor de geestelijke gezondheid. Daar is mijn interesse, mijn liefde voor spiritualiteit, ook in geworteld.

“Wat ik vooral interessant vond is dat Fortmann over de grenzen van de Nederlandse cultuur en de Nederlandse godsdiensten heen keek. Er is, denk ik, ook wel een soort gemeenschappelijke noemer te vinden tussen alle verschillende religies. Als je het daar over hebt, beweeg je je al gauw in de richting van spiritualiteit.”

Karen Armstrong, de grondlegster van het Handvest voor Compassie (waar het initiatief van Nijmegen als Stad van Compassie ook uit voortkomt), vat compassie samen onder de gulden regel: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.” Ze noemt dit de grondregel die alle verschillende religies en levensbeschouwingen met elkaar delen. Wat vind jij van zo’n uitspraak?

“Daar kan ik voor de volle honderd procent achter staan. Nu weet ik niet precies wat Karen Armstrong over compassie heeft gezegd. Maar ook anderen citeren die regel. Zij noemen het eveneens de gemeenschappelijke factor van religies en zelfs die van het humanisme. De gulden regel sluit ook goed aan bij wie ik ben. Ik ben niet iemand van mooie woorden. Ik ben iemand die gelooft dat het aankomt op daden.”

Je hebt je jarenlang beziggehouden met de studie van spiritualiteit. Veel mensen associëren het woord spiritualiteit vaak met zweverigheid, net zoals mensen compassie ook al snel een zweefwoord vinden. Hoe zou jij daarop reageren?

“Dat kan ik me goed voorstellen. Compassie is ook wel een beetje een onduidelijk woord. Of in ieder geval is het een erg abstract woord. Vandaar dat ik die gulden regel ook zo goed vind. Omdat het een vertaling biedt van compassie, namelijk: het gaat om het handelen. Compassie zegt vooral iets over de mindset van waaruit je handelt.”

“Om een voorbeeld te geven: bij de ambassadeursavond van Nijmegen Stad van Compassie waren er mensen aanwezig van het Compassion Project, die een compassie-oefening met ons deden. Zij lieten zien dat je van compassie een soort mantra kan maken. Een mantra die ervoor zorgt dat je een pas op de plaats maakt. En beseft dat een ander in wezen net zo is zoals jij. Opnieuw gaat het dan weer over een mindset voor je handelen vinden.”

“Als compassie alleen een abstract woord blijft, dan blijft het zweven. Het gaat erom: hoe kun je het woord vertalen naar de praktijk. Dat is ook een van de mooie dingen bij Sensoor. De training van Sensoor die vrijwilligers krijgen, is erop gericht dat elke beller een uniek persoon voor je wordt. Iemand die je met respect behandelt. Die je accepteert zoals die is en waar je zonder vooroordelen naar luistert. Dat is een hele compassievolle houding.”

Veel mensen beschouwen luisteren vaak als iets passiefs. Terwijl jij luisteren juist als een hele actieve houding omschrijft. Net zoals je compassie eigenlijk ook als een actieve handeling beschouwt. Kun je daar iets meer over vertellen?

“Voor veel mensen klinkt luisteren inderdaad vaak als heel passief. Daarom noemen we het bij Sensoor ook écht luisteren. Om aan te geven dat het om méér gaat dan alleen maar luisteren. Elk mens heeft immers een verhaal achter het verhaal dat wordt verteld. Het is belangrijk om juist dát verhaal te horen. Een gesprek met een beller, een probleem dat ze je voorleggen, krijgt vaak een hele andere betekenis als je dat verhaal achter dat verhaal kent.”

“Het komt bijvoorbeeld regelmatig voor dat iemand belt en zegt: ‘Ik vind het gewoon fijn om even een stem te horen voordat ik vanavond naar bed ga.” Daar hoef je op zich niet veel voor te doen. Maar als je dan het verhaal aanhoort en het verhaal áchter dat verhaal hoort – als je begrijpt hoeveel eenzaamheid er zit áchter zo’n behoefte om even een stem te horen – dan gaat dat gezellige praatje eigenlijk helemaal niet ‘zomaar’ over iets gezelligs. Er zit veel meer achter. Dat roept bij mij vaak het mededogen, de bereidheid om het lijden van de ander te verdragen, op.”

“Luisteren is daarbij maar één ding. Wat zeker zo belangrijk is, is dat we echte aandacht willen geven. We willen het verhaal achter dat verhaal horen, zodat je echt contact kunt maken. In ieder geval voelt het zo voor mij. Zodat we ook kunnen kijken of we iemand’s levensdoel op zo’n manier kunnen helpen invullen dat de zelfredzaamheid vergroot wordt. Dat is zeker zo belangrijk.”

“Als iemand zegt: ‘Ik vind het fijn om een stem te horen,’ dan kun je bijvoorbeeld vragen of er iemand in diens omgeving is die misschien die stem voor hem of haar zou willen zijn. Of je kunt iemand helpen te bedenken hoe die ergens anders contact kan maken. Zodat iemand niet om elf uur ’s avonds hoeft te bellen, omdat hij of zij de hele dag, of soms zelfs na drie dagen, nog geen andere stem heeft gehoord. Dus daar zoek je dan naar, samen met de beller.”

“Soms is dat best lastig. Je treft bijvoorbeeld ook mensen met hele heftige trauma’s, waardoor iemand’s leven binnen hele krappe marges is gaan functioneren. Daar kun je als ontvanger van de beller eigenlijk niets meer aan doen. Die trauma’s zijn ook vaak een reeds lang gepasseerd station. En ook niet iedere beller is ervan gecharmeerd om de eigen vraag dieper te bekijken. Het is dus soms een hele klus. En als het er niet in zit, dan zit het er niet in.”

Als wij tegen jou zeggen: ‘Stad van Compassie’, wat roept dat dan bij jou op?

“De eerste gedachte die het bij me oproept is: ‘Dat klinkt wel wat arrogant’. Uiteindelijk blijft compassie immers een abstract woord. Het gaat juist om daden. Maar mijn tweede gedachte is: ‘Elk mens heeft ruimte nodig om af en toe stil te kunnen staan bij de vraag waar hij of zij mee bezig is. Dat klinkt heel simpel, maar het is heel essentieel.”

“Het denken over compassie, of over een compassievolle houding, of over hoe je jouw medemens kan blijven zien als medemens, is denk ik een hele belangrijke excercitie om te komen tot daden voor je medemens. Dus hoe abstract het begrip ook is en hoe zweverig het in eerste instantie misschien ook klinkt: compassie is heel belangrijk om te kunnen komen tot daden.”

“Door een stad ‘Stad van Compassie’ te noemen help je volgens mij ook bij het zichtbaar maken van het dragen van de zorg voor je medemens. Dat dragen van zorg heeft enerzijds een positieve, liefdevolle en dragende kant in zich. Maar aan de andere kant gaat het ook over het durven zien dat er altijd mensen zijn die in een bepaalde marge van het leven worden gedwongen. Dat je daar als stad oog voor hebt, maakt een stad tot een Stad van Compassie.”

Is Nijmegen een Stad van Compassie volgens jou?

“In ieder geval zou ik zeggen: ‘Het is nooit genoeg.’ Daarbij gaat het me eigenlijk niet om meer of minder. Het gaat erom dat iedereen die dat wil, stil kan staan bij zijn of haar handelen. Stil kan staan bij de vraag: ‘Waar doe ik het voor?’ De kracht van compassie is eigenlijk dat je er oog door krijgt voor de ander. Dat je die ander bekijkt vanuit gelijkwaardigheid en beziet als medemens. Als een mens, die in heel veel opzichten lijkt op jou. Het ‘Compassie’, in Nijmegen Stad van ‘Compassie’, is dan een soort van ijkpunt voor het handelen van onze stad.”

Wat voor advies zou jij aan een Stad van Compassie geven?

“Ik denk dat het van belang is om in kaart te brengen waar de mensen met de voeten in de klei staan rondom compassie. Vergeet niet om de kleine, concrete voorbeelden in beeld te brengen van waar je voor staat. Omdat je juist in dat hele kleine verhaal het grote verhaal kan terugzien.”

“Ik was bijvoorbeeld een keer in het stiltecentrum van de Sint Maartenskliniek. Daar was ik om ergens een foto van te maken. Omdat het daar erg donker was, moest ik wachten tot de zon ging schijnen, omdat je met een flits van de camera van die vervelende schaduwen in je beeld krijgt. Al wachtende heb ik toen het hele intentieboek gelezen, totdat de zon ging schijnen.”

“Er stonden prachtige uitspraken in dat boek geschreven. En in al die kleine zinnetjes en korte boodschappen was eigenlijk compassie te vinden. Dus het hoeft niet in het grote te zitten. Er zijn zoveel mooie kleine dingen te vinden waar compassie in schuilt. Vergeet niet om dat te laten zien.”

Hartelijk dank voor dit interview, Frits Mertens!

Nijmegen Stad van Compassie op Facebook