Interview Joop Haverkort

Joop Haverkort (Steenwijksmoer, 1947) is een onderwijsman pur sang, die in een rijke carrière en in verschillende functies vooral met het Jenaplanconcept heeft gewerkt. Hij is een verbinder ten voeten uit en noemt zichzelf, waarschijnlijk zeer terecht, een ‘samenwerkingsfanaat’. Als schooldirecteur stond hij in de jaren negentig aan het begin van de brede schoolontwikkeling in Nijmegen, en hij heeft hij zich altijd sterk gemaakt voor onderwijs met een grote bezieling. Hierbij zocht hij steeds naar een natuurlijke samenwerking met andere scholen en met zijn talloze collega’s. Zo werkte hij bij Conexus, een bestuur van 31 scholen in Nijmegen en omgeving. Ook gaf hij leiding aan een werkgroep voor een nieuw pedagogisch-didactisch concept voor scholen in de Waalsprong, voor het eerst gerealiseerd in basisschool Het Talent in Lent.

Maar het onderwijs is niet zijn enige interessegebied. Joop is ook een gelovig man en een familieman. Hoewel toegewijd echtgenoot, vader en grootvader beperkt zijn begrip van ‘familie’ zich niet tot zijn gezin. In een tijd van ontkerkelijking betoont hij zich naar eigen zeggen ‘ongeneeslijk religieus’ en ook ‘ongeneeslijk positief’. Hij zet zich vol bezieling in voor de ontmoeting en de verbroedering tussen kerken en geloofsgemeenschappen. Al die unieke mensen in al die verschillende gemeenschappen beschouwt hij ook oprecht als zijn familie. Hij is mede-inspirator van het ‘stadsklooster Nijmegen’ en actief in de Boskapel. Ook heeft hij het symposium ‘Spiriscapes’ en de ‘Ontmoetingsdag geloofsgemeenschappen’, op 5 en 6 oktober 2018 in de Boskapel, mede voorbereid.

Joop, kun je ons iets vertellen over je wortels en over je gezin?

Het dorp Steenwijksmoer, waar ik geboren ben, ligt in de buurt van Coevorden in Drenthe. Ik groeide op in een katholiek gezin als oudste van vijf kinderen. Ik ben getrouwd met José Meijerink en samen hebben we twee dochters, een tweeling, en vier kleinkinderen: het mooiste wat ons is overkomen. Zoals gezegd is mijn werkterrein het onderwijs, met name het Jenaplanconcept dat ik in verschillende functies heb medevormgegeven. In maart 2012 ging ik met pensioen. Ik geef nu als zelfstandig ondernemer en als vrijwilliger advies aan scholen, vooral op het gebied van innovatie.

Wat zijn voor jou belangrijke bronnen van inspiratie om op een compassievolle manier in het leven te staan en met mensen om te gaan?

Wanneer je voor het eerst een kindje vasthoudt dat net geboren is, met bij wijze van spreken de nestgeur er nog aan, dan heb je een ervaring van: ‘waar komt dit kind toch vandaan?’ Een kind dat precies op deze plaats, precies op dit moment geboren is, is er nooit eerder geweest en komt ook niet weer. Dit kind is volledig uniek in het universum. Het is geen toeval dat het hier en nu geboren is. Het universum heeft er een bedoeling mee. Alles wijst erop dat het leven, ook dit kleine nieuwe leven, helemaal geen toeval is.

En toen ik als jong kind mocht zien hoe onze bejaarde buurvrouw lag opgebaard in haar kamer ging het gevoel door mij heen: met dit prachtige mens verdwijnt een heel universum. Geboorte en dood zijn twee ijkpunten van het leven. Indien die twee uiteinden van het leven – geboren worden en doodgaan – al zo geladen zijn met iets kosmisch, iets dat tijd en ruimte overschrijdt, dan betekent dat dat alles wat daar tussen ligt een vergelijkbare kosmische waarde heeft. Dat geldt voor ieder mens, niet alleen voor zogenaamde beroemde mensen. Mijn grootste inspiratiebron ligt daarom in de ontmoeting met de ander. Elke ontmoeting met een mens die mijn leven binnenstapt, met zijn of haar unieke verhaal, is voor mij heel kostbaar. Het geeft me inspiratie en is een uitdaging om verder te denken. Juist het anders zijn van de ander wil ik waarderen, als vertrekpunt van mijn denken. Degene die je ontmoet doet een appèl op je, en daardoor kom je zelf tot leven.

Het geloof is belangrijk voor je. Het heeft meegeholpen om van jou een mens met compassie te maken. Kun je daar iets meer over zeggen?

Ik kom uit een warm gezin. Wij kinderen mochten er allemaal zijn van onze ouders. Ook onze katholieke omgeving als groter geheel, met kerk en school, heb ik ervaren als een warm nest waarin wij goed werden toegerust voor het leven. In Drenthe vormden wij samen met de andere katholieke gezinnen een bescheiden enclave in een overwegend protestants gebied. Dat wij katholiek waren hoorde zo voor ons, maar tegelijkertijd was daar die openheid: ‘Geef niet af op je buurman omdat die toevallig protestant is, of vrijdenker of atheïst!’ Die ruimte zat er bij ons altijd in. Doordat wij een minderheid vormden waren wij ons redelijk scherp bewust van het ‘waarom’ en ‘waartoe’ van ons geloof: waarmee wil je onderscheidend zijn? Hoe wil je dat het katholieke onderwijs een verschil maakt in je omgeving?

Je hebt je altijd sterk gemaakt voor onderwijs met een grote bezieling en vanuit een heldere visie. Kinderen moeten hun talenten optimaal kunnen ontwikkelen. Waarom heeft dit streven voor jou alles te maken met compassie?

Toen ik kwam wonen en werken in Nijmegen, waar het katholieke onderwijs de norm was en het openbaar onderwijs de uitzondering, trof ik die bewuste houding niet aan. Alles was zo gewoon en vanzelfsprekend. Ik vond het maar slappe hap, omdat men niet meer bewust bezig was met de ‘waartoe’ vraag: waartoe hebben we een katholieke, een protestante of een openbare school? Hoe bijzonder vinden wij deze waarden, en welk verschil willen we ermee maken in onze omgeving? Zodra bijzondere dingen gewoon worden ligt de ellende om de hoek! Dat geldt ook in bredere zin. Als je niet meer openstaat voor het wonder van het bestaan, als je nieuwsgierigheid verdwijnt (ook je wetenschappelijke nieuwsgierigheid) en als de vragen naar het bijzondere niet meer worden gesteld, dan krijg je een enorme vervlakking.

En met de opkomende vervlakking verdwijnt de bezieling! Al decennialang ontwikkelt die vervlakking zich in het onderwijs omdat het allemaal neoliberaal wordt ingevuld. Het gaat om de poen. Hoe kunnen we de BV Nederland draaiende houden? Maar een mens is niet inpasbaar in economische modellen: hij/zij is een universum op zich, met unieke talenten en mogelijkheden die gekoesterd, en met de grootste zorg omgeven moeten worden.

Je droom is om via het onderwijs bij te dragen aan het geluk van mensen. Hoe kijk je vanuit die optiek terug op je carrière in het onderwijs?

Toen ik afscheid nam van mijn onderwijsloopbaan heb ik een symposium gehouden: ‘Het geluk van ontwikkelen’. Ik denk dat iedereen erop uit is om gelukkig te zijn, maar wat is geluk eigenlijk? Geluk is niet het Zwitserlevengevoel. Misschien is gelukkig zijn dit: ieder mens heeft unieke talenten en mogelijkheden gekregen binnen een eigen plek. Als je op een gegeven moment kunt zeggen: ‘Goh, ik heb daar iets van kunnen laten zien, ik ben erdoor tot ontplooiing gekomen en ik ben erdoor gegroeid’ … dat is geluk. En dat gun je iedereen. Dat vind ik ook het mooie van mijn vak: dat je met kinderen en jong volwassenen op pad mag gaan op zoek naar wat hen gelukkig maakt, en hen helpt om zich zó toe te rusten dat die unieke mogelijkheden waargemaakt kunnen worden.

Je bent enorm geïnspireerd door de verschillen tussen mensen, en dus ook door de verschillen in persoonlijkheid en ontwikkeling van kinderen. Waarom is dit zo boeiend voor jou?

Kinderen kijken heel vernieuwend tegen de werkelijkheid aan. Heel boeiend in de dialoog met kinderen is bijvoorbeeld het element ‘tijd’. Als oudere heb je al veel tijd mogen invullen, terwijl het kind nog veel tijd tegoed heeft en daarmee een enorme voorsprong heeft. Die pedagogische spanning is enorm uitdagend: tijd meegemaakt versus tijd te goed. In de ontwikkeling bestaan ook enorme verschillen tussen kinderen, bijvoorbeeld in de spraakontwikkeling. In een groep 4 jarigen spreekt de één nog in zinnen van twee woorden, terwijl een ander kind zich al in prachtige volzinnen uitdrukt. Binnen zo’n groep kun je qua spraakontwikkeling dus al gauw een reëel leeftijdsverschil van vier jaar aantreffen. Maar ook qua talenten loopt het zó uit elkaar dat je kinderen van dezelfde leeftijd nauwelijks hetzelfde onderwijs kunt laten volgen.

Die uniciteit en de verschillen tussen al deze kinderen is prachtig, maar je hebt wel een ander soort onderwijs nodig: onderwijs dat uitgaat van de waardering van die verschillen, en er niet op gericht is al die verschillen glad te strijken en weg te poetsen. Mensen, en dus ook kinderen, zijn enorm verschillend en dat maakt het leven mooi en spannend. Een halve eeuw geleden was de maatschappij nog gebaat bij het industriële onderwijsmodel dat er al een eeuw was: iedereen leerde hetzelfde. De ene groep arbeiders ging met pensioen, en de andere groep stond klaar om hun werk over te nemen. Maar zo zit de samenleving niet meer in elkaar! Toch ben ik geen voorstander van individueel onderwijs, wel van gepersonaliseerd onderwijs. Wèl binnen de groep, maar met aandacht voor de verschillen tussen individuen.

Wat moet er in een stad als Nijmegen veranderen op onderwijsgebied om voor kinderen een meer inspirerende, en meer compassievolle, omgeving te scheppen?

Waar ik me gruwelijk aan erger is de vercommercialisering van het onderwijs. Net als het openbaar vervoer en de energievoorzieningen hebben we de scholen tot een markt gemaakt. Daarbij is het gemeenschappelijke doel, het ontwikkelen van talenten door de juiste aandacht en begeleiding, steeds verder naar de achtergrond gedrongen. De persoonlijkheidsvorming (erop gericht dat jonge mensen uitgroeien tot gelukkige, evenwichtige, harmonische leden van de samenleving) krijgt veel te weinig aandacht. De nadruk ligt op gemakkelijk meetbare zaken als rekenen, taal en wiskunde. Dat hoort er natuurlijk ook bij, maar persoonsvorming, talentontwikkeling in brede zin en het leren samenwerken zijn, hoewel niet zo goed meetbaar, minstens zo belangrijk.


‘Tourterelles’, Marc Chagall, museum Lalique, Doesburg. Tourterelles betekent ‘tortels’.

De afbeelding laat iets zien van wat we in het Nijmeegse project ‘Ieder talent telt’ graag willen:
elkaar bevleugelen, vleugels geven.

Moet dit onderwijs, deze vorming van kinderen en jongeren, alleen binnen de muren van een school plaatsvinden?

Mijn leven lang ben ik een samenwerkingsfanaat geweest. Als schooldirecteur stond ik aanvang jaren negentig aan het begin van de brede schoolontwikkeling in Nijmegen, een primeur in Nederland. Met de stichting ‘Een Slingertouw’ streefden we naar een samenwerkingsverband tussen kinderopvang, welzijnswerk, onderwijs en jeugdzorg. Al die disciplines heb je nodig. De vraag was steeds: hoe krijg je al die noodzakelijke onderdelen op de juiste plek bij elkaar, daar waar de kinderen zijn? Ienne Biemans schreef een gedichtje, genaamd ‘Een Slingertouw’, waarin de spijker op zijn kop wordt geslagen. Het gaat zo:

‘Ik heb een touw om vast te binden
Alles wat ik mooi kan vinden
Alles waar ik veel van hou
Bind ik vast aan m’n slingertouw’

Een slingertouw is volgens mij niets anders dan een moreel kompas dat we samen delen, een ‘common sense’ waardoor we weten wat nodig is en wat werkt. In een stad heb je zo’n slingertouw nodig, daar worden onze kinderen beter van. Ik kan jou hiermee helpen, en jij kunt mij daarmee helpen. Ik zie de school niet als een instituut binnen vier muren. De hele stad is een school, met alles wat die stad te bieden heeft en met tal van goede ontwikkelingen. Met sport en bewegen, met culturele vorming. Dit alles uitgaande van de talenten van kinderen in een netwerk van samenwerkende scholen. Dan heb je het echt over compassie binnen de scholen van Nijmegen.

We leven in een sterk geseculariseerde maatschappij. De religieuze, spirituele samenleving lijkt voor veel mensen een achterhaald gegeven. Gaat deze trend ook ten koste van compassie in de samenleving?

Secularisatie, autonomie, wetenschap, kritisch denken: het zijn allemaal mooie en belangrijke begrippen waar ik niets aan af wil doen. Maar ik moet hierbij denken aan het verhaal van Jezus’ hemelvaart in het Evangelie. De mensen die op dat moment Jezus zagen opstijgen ten hemel waren ten einde raad. Alles waarin ze geloofden en waarop ze hun hoop hadden gevestigd was verdwenen. Zomaar opgelost in het niets, weg! Maar toen verscheen de engel die zei: ‘Sta niet omhoog te kijken, het is hier te doen! Hier op aarde moet je het zoeken, hier is er werk aan de winkel!’ Daarom zie ik een verschijnsel als secularisatie niet als iets negatiefs. Ik zie het als een opdracht, als een uitdaging om je talenten in te zetten en om er in het hier en nu iets van te maken. In het seculiere moet je het zoeken. Die opdracht krijgt diepte en betekenis als je beseft dat je deel uitmaakt van een keten. Het woord religie komt van re-ligare, ‘opnieuw verbinden’. We moeten onze droom verbinden met het alledaagse, onze diepste verlangens koppelen aan realisatie. Heel vaak sturen we alleen aan op resultaten, maar als die niet verbonden zijn met onze diepe verlangens, wat heeft het dan voor zin? Zo kom je terecht bij de zingevingsvraag – of je nu gelooft of niet – waar zit je diepste verlangen? Ik denk dat je de dialoog tussen mensen op gang kunt brengen met de vraag: ‘wat maakt je echt gelukkig?’

Dus dat wij westerlingen minder godsdienstig zijn dan vroeger is geen ramp?

Je kunt de zogenaamde teloorgang van het gelovig bewustzijn tegengaan door weer te sturen op het verlangen van mensen. Voor scholen heb ik dat vaak vertaald in: ‘hoe ziet de gewenste samenleving er eigenlijk uit, en waarom moeten we daarvoor oefenen?’ Scholen zijn in feite de oefenplaats voor de menselijke samenleving. Dus met ouders, leraren en kinderen samen moeten we ontdekken wat ons gezamenlijke sociale en morele kompas is, en vervolgens moeten we elkaar daar ook op aanspreken. Vroeger was het heel normaal dat de buurvrouw tegen een jongere zei: ‘Dat doen we zo toch niet, zó gaan we toch niet met elkaar om! Is dit de afspraak die we samen hebben?’ Ook in de koffiekamer van de leraren zou er, als er bijvoorbeeld geroddeld wordt, gezegd moeten worden: ‘Zeg, dat was toch niet onze afspraak!’ Als we niet meer geïnteresseerd zijn in elkaars diepste verlangens dan verzanden we in oeverloze discussies over wat er wel of niet mag – op de boterham tussen de middag, wat voor kleding wel of niet mag. Maar daar hoort het toch niet op de eerste plaats over te gaan in het leven!

Joop, je bent mede-inspirator van ‘Stadsklooster Nijmegen’. Wat houdt dit stadsklooster in, en wat motiveert je om hierbij betrokken te zijn?

Het stadsklooster is een initiatief van de Boskapel, een geloofsgemeenschap rond de Augustijnse kloosterkapel aan de Graafseweg. Het wil traditionele religie verbreden door samen te werken met vormen van nieuwe spiritualiteit. De belangrijkste reden om een stadsklooster op te richten was dat het kerkbezoek terugloopt, terwijl mensen wel degelijk behoefte houden aan vieringen, rituelen en aandacht voor levensvragen. De vieringen in het stadsklooster zitten zo in elkaar dat iedereen er iets uit kan halen. We kunnen leren van anderen en delen wat we hebben. Binnen het stadsklooster wordt niet alles zelf bedacht: er wordt nauw samengewerkt met een twaalftal spirituele organisaties en initiatieven in Nijmegen, en andere initiatieven die willen meedoen zijn welkom.

Je ziet graag dat spirituele gemeenschappen elkaar ontmoeten en samenwerken. Vandaar ook je enthousiasme voor ‘Spiriscapes’, de in oktober 2018 gehouden bijeenkomst in de Boskapel. Vanwaar dit enthousiasme?

‘Spiriscapes’ is afgeleid van: spirituele landschappen of ‘landscapes’. Vroeger was de wereld erg overzichtelijk, alles had z’n eigen vaste plek: het geloof was opgesloten in de kerken en kathedralen, en de wetenschap was opgesloten in de ivoren torens van de academiegebouwen. Je ziet dat nu veranderen. Overal ontstaan landschappen waar je van alles ziet gebeuren. Google, Wikipedia en talloze researchinstituten beschikken over meer data dan menige universiteit. Mensen laten zich niet meer opsluiten in één gebouwtje, want met hun mobieltje hebben ze contact met dat hele landschap. Mensen zijn allemaal aan het zoeken: ze vinden hier iets, en ze vinden daar iets. De Mattheus Passie, een mooi stuk muziek, de jaarlijkse ‘Passion’ of een eenzame wandeling over de hei op zondagochtend: op allerlei manieren laten mensen zich inspireren.

Sommige mensen zeggen: ‘God is niet dood, maar gaat met de tijd mee’. Anderen hoor ik zeggen: ‘God is verhuisd van de kerk naar de samenleving. Hij loopt rond, als een pelgrim’. Eigenlijk zitten daar prachtige connotaties in met de manier waarop christenen vroeger leefden, als ‘mensen van de weg’, als pelgrims. Het pelgrimeren heeft in onze tijd een enorme vlucht genomen. Het was nog nooit zo druk op de weg naar Santiago. Ook rondom Nijmegen hebben we wandeltochten met allerlei spirituele plekken. Het leuke van rondwandelen is dat je elkaar ontmoet, en plotselinge ontmoetingen hebt. Ik denk dat de rijkdom van het geen zo’n heel landschap te bieden heeft een heel nieuwe kijk op kerken oplevert. Kerken die hun deuren openzetten en meestal buiten zijn, en alleen soms nog even naar binnen gaan.

(Op 5 en 6 oktober 2018 was er een tweedaagse ontmoetingsdag voor geloofsgemeenschappen in het stadsklooster. Zie ook boskapel.nl)

Tekst: Bert Janssen

Nijmegen Stad van Compassie op Facebook