In gesprek met Bert Hogemans

Bert Hogemans is geboren in 1978 in Neede in de Achterhoek. Na de middelbare school kwam hij naar Nijmegen om Amerikanistiek te studeren aan de Radboud universiteit. Na een loopbaan van dertien jaar in het bedrijfsleven werd hij in 2017 directeur-bestuurder van de Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid (OBGZ). Vanuit zijn werkplek in Bibliotheek De Mariënburg houdt hij o.a. nauw contact met de 26 nevenvestigingen in de regio. Zijn werk is zijn passie en over zijn doel is hij duidelijk: ‘We zien de bibliotheek als de huiskamer van de stad, waar iedereen zich welkom moet kunnen voelen. De bibliotheek streeft een maatschappij na waarin iedereen kan meedoen. Als instelling zijn we gericht op de vorming en ontwikkeling van de hele mens’. Bert voelt zich helemaal thuis in Nijmegen en omgeving en woont samen met zijn vrouw en hun twee opgroeiende kinderen in Wijchen.

Bert, kun je je kort aan ons voorstellen? Waar ben je opgegroeid en uit wat voor gezin kom je?

Ik kom uit een gezin met drie kinderen. Ik heb een oudere broer en zus. Mijn vroege jeugd bracht ik door in mijn geboorteplaats Neede, een dorp van 11.000 inwoners dat nog net in de Achterhoek ligt, vlakbij de grens met Overijssel. Voor het VWO ging ik naar Haaksbergen en in 1997 trok ik naar Nijmegen voor mijn studie.

We ontmoeten elkaar rond het thema ‘compassie’. Welke invloed hadden je jeugdjaren en opvoeding op jouw kijk op de verhouding tussen mensen?

Als ik terugdenk aan mijn kinderjaren moet ik zeggen dat ik in een uitgesproken monocultuur ben opgegroeid. In de jaren ’80 in de Achterhoek was iedereen die ik kende min of meer hetzelfde. Ik kwam in mijn jeugd nauwelijks in aanraking met andere identiteit, iedereen probeerde vooral zoveel mogelijk te voldoen aan ‘de norm’. Als er al eens een andere gender-identiteit voorbij kwam, dan was dat vooral géen gespreksonderwerp. Er waren ook heel weinig mensen met een migratieachtergrond, kortom er was weinig contact met alles wat ‘anders’ was. Als ik nu zie met hoeveel diversiteit kinderen in deze tijd opgroeien, zeker in een stad als Nijmegen, dan stel ik vast dat ze daardoor zoveel rijker aan het leven beginnen dan mij toen vergund was. Dat geldt denk ik voor heel veel mensen uit de jaren ’80 en daarvoor.

Waren er in je jeugd rolmodellen die je sociale gevoel aanwakkerden en je kijk op mensen mede bepaalden?

Net als veel mensen had ik een paar fijne juffen op de lagere school naar wie ik opkeek en die de juiste verhalen voorlazen. Verhalen die me meenamen naar fantasiewerelden waar ik ook echt wel mijn vorming uit haalde. Hoewel er in ons dorp zes kerken waren, ben ik niet christelijk opgevoed. In die zin kende ik dus weinig geestelijk leven. Maar heel belangrijk voor mij was mijn grootvader, naar wie ik enorm op keek. Die man leefde echt zijn rechtvaardigheidsgevoel, dat in de oorlog een flinke oplawaai had gekregen. Toch is het verhaal dat voor mij het meest vormend was, het volgende. Bij mijn moeder zat een meisje op school van wie de ouders NSB’er waren geweest. Toen dat meisje werd gepest, joeg mijn grootvader de jongens die dat deden tot in een weiland na en gaf ze op hun falie. Omdat hij vond dat dit meisje niet gestraft mocht worden voor wat haar ouders gedaan hadden. Sterker nog: je wist niet eens of díe mensen wel precies wisten wat ze aan het doen waren – of daar bewust ingestapt zijn.

Zolang je niet weet wat de afwegingen zijn en waarom mensen bepaalde keuzes maakten, kun je niet klaar staan met je oordeel over hoe mensen in elkaar steken. En al helemaal niet als het een kind is dat er niets aan kan doen en er buiten staat. Dit verhaal heeft altijd veel indruk op me gemaakt en ik beschouw het als een leidraad voor m’n eigen leven. Laten we nou eens nieuwsgierig zijn naar waar mensen vandaan komen – hoe ze hun meningen gevormd hebben en waarom ze doen wat ze doen. En sta daar gewoon open in en stel een vraag, in plaats van meteen te oordelen. Ik heb echt een bloedhekel aan mensen die gelijk met hun oordeel klaarstaan. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen!

Je ben getrouwd en jullie hebben twee opgroeiende kinderen. Is compassie bij jullie thuis een gespreksthema?

Compassie is bij ons thuis wel het uitgangspunt maar niet iets waar we bewust het gesprek over voeren. Ik merk wel dat we het vaak hebben over situaties waar we als gezinsleden tegenaan lopen, op ons werk of op school. De vraag is dan hoe we als gezinsleden met de diverse voorkomende situaties omgaan. Er is zeker ruimte voor ieders denkbeelden en meningen. Kinderen staan op school onder invloed van alles wat daar gebeurt, overigens net als ik vroeger. Vriendengroepen, sociale dwang, noem maar op. Je hoeft het niet overal mee eens te zijn. Maar het is goed dat kinderen instrumenten meekrijgen waardoor ze een afgewogen oordeel kunnen vellen. Alles mag er zijn, maar je hoeft niet alles te accepteren.

Na een carrière in het bedrijfsleven maakte je in 2017 de switch naar de bibliotheekwereld. Wat motiveerde je tot deze stap?

Na mijn studie Amerikanistiek heb ik dertien jaar lang in allerlei functies binnen de zakelijke dienstverlening gewerkt, op het laatst als directeur ‘strategie en beleid’. Daarbij kwam ik steeds meer in conflict met mijn eigen wensen om te doen wat in mijn ogen maatschappelijk relevant is. Mijn werk slokte heel veel tijd op en ik wilde ook wel eens wat meer zien van mijn kinderen en ons mooie dorp Wijchen. Ik dacht: ‘Als ik toch zoveel energie in mijn werk steek, dan wil ik op zoek naar iets waarbij ik het gevoel heb dat ik direct iets bijdraag aan de samenleving’.

Ouderen onder ons kennen het instituut bibliotheek nog als een plek waar je boeken leent en verder niets. Hoe heb jij de evolutie van de bibliotheek beleefd, door de jaren heen naar onze tijd?

Toen ik hier vijf jaar geleden begon, had die kentering zich al voor een groot deel voltrokken. In wezen is er aan de functie van de bibliotheek sinds de oprichting heel weinig veranderd. Zo’n 110 jaar geleden werd het Algemeen Kiesrecht ingevoerd en de toen opgerichte Burgerleeszalen hadden als doel de burger te voorzien van betrouwbare kennis en informatie – zodat mensen konden meedoen in het maatschappelijk verkeer. En dat is nu niet anders. Alleen ziet ‘kennis en informatie’ er nu totaal anders uit dan honderd jaar geleden. In feite waren deze Burgerleeszalen de eerste openbare bibliotheken. Dus we staan nog steeds voor betrouwbare kennis en informatie, alleen komt die nu naar je toe via Twitter, Facebook en andere sociale media. En wordt daar maar eens wijs uit! Welke informatie kan ik vertrouwen en welke niet? Onze collectie blijft natuurlijk de kern, maar daarnaast zien we in het wegwijs maken in die rimboe van informatie die tot je komt dezelfde opdracht als die we honderd jaar geleden al hadden.

Een mooie ontwikkeling daarbij zijn bijvoorbeeld projecten die we doen omtrent verhalen, maar waarvan de belangrijkste bijvangst het bestrijden van eenzaamheid is. Zo zijn ‘Boek & Buffet’ en ‘Vertel eens’ projecten waarbij we, voornamelijk in de kleinere kernen, groepen ouderen en vrijwilligers bij elkaar brengen. Rondom een boek of gedicht gaat men dan het gesprek aan – dat meestal al snel over vroeger gaat, wat helemaal niet erg is. Het feit dat deze ouderen een uitje hebben en onder de mensen komen, zien we als een belangrijke nevenfunctie.

In jullie visie is de bibliotheek de huiskamer van de stad, waar je gratis binnen kunt lopen en niets hóeft. Kun je dit in je eigen woorden toelichten?

We zien de bibliotheek graag als een huis van ontmoeting. Maar het woord ontmoeten kun je op twee verschillende manieren uitleggen. Het betekent mensen ontmoeten maar ook: ont-moeten, in de zin van ‘ik hoef even niks’. Wat we willen stimuleren is dat er plekken in de stad zijn waar je niet met een vooropgezet doel naartoe gaat. Omdat iedereen hier komt, tref je hier ook mensen die je normaal niet snel tegenkomt. We moeten de bezoekers zien als onderdeel van de collectie. De boeken staan vol verhalen, maar de mensen hebben misschien nog wel mooiere verhalen. En dat geldt ook voor de dak- en thuislozen die in de bibliotheek soms een goed heenkomen zoeken.

Jullie missie is om mensen van alle culturen en generaties de kans te geven om kennis en inspiratie op te doen en te groeien. Hoe belangrijk is dit innerlijk groeien?

Innerlijke groei heeft te maken met de mate waarin je openstaat om te leren van mensen met andere denkbeelden. Daar komt dat ‘ontmoeten’ ook weer naar voren. Ook willen we mensen graag helpen met het ontwikkelen van basisvaardigheden. Mensen die niet zijn opgegroeid met iPads en pc’s maar nu wel door de overheid gedwongen worden om via allerlei web-portals zaken te doen met de belastingdienst, willen we via eenvoudige cursussen helpen om daarin toch wat vaardigheden op te doen. Door nieuwe afspraken tussen de rijksoverheid en de bibliotheken verschijnt er daarom in al onze gemeentes ook een ‘Informatiepunt Digitale Overheid’. Hier kunnen inwoners terecht met hun vragen over bijvoorbeeld DigiD, de digitale belastingaangifte of de corona checkapp.

Daarnaast is het bestrijden van lage taalvaardigheid essentieel voor ons, bijvoorbeeld bij nieuwkomers die Nederlands moeten leren. Maar ook willen we ervoor zorgen dat kinderen op de basisschool leesplezier ontwikkelen. Ze moeten ervaren dat lezen echt iets leuks is. Het verkleint de kans dat ze laagtaalvaardig van de basisschool af komen, wat nu nog echt veel gebeurt. Die lage taalvaardigheid zet zich door op de middelbare school, waar volgens het laatste PISA rapport een groot deel van de leerlingen onvoldoende begrijpend of technisch kan lezen bij het verlaten van de school – en 24% een groot risico heeft op laaggeletterdheid. In het ideale geval wordt hiervoor thuis de juiste basis gelegd. Voorlezen door ouders thuis en het ontwikkelen van een leescultuur in huis zijn heel belangrijk, en daar willen we graag aan bijdragen.

Vaak wordt gedacht dat lage taalvaardigheid in ons land vooral bij mensen met een migratieachtergrond speelt. Klopt dat eigenlijk wel?

Nee, het speelt veel breder. Bij mensen met een migratieachtergrond is het vaak zelfs gemakkelijker op te lossen dan bij autochtone Nederlanders. Dat heeft te maken met de schaamtedrempel. Voor nieuwkomers is het heel normaal dat ze de taal nog niet spreken. Ze volgen een cursus Nederlands op het ROC en komen daarna naar een Taalcafé in de bibliotheek om hun taalvaardigheid te oefenen. Dat is niet gek. Maar er zijn nog steeds legio autochtone Nederlanders die in de jaren ’50 of ’60 opgroeiden en op hun dertiende moesten gaan werken omdat ze uit een gezin van veertien kinderen kwamen waar iedere cent nodig was. Die mensen hebben vaak om die reden nooit leren lezen en schrijven. En die gaan niet spontaan naar een Taalcafé – zo van: ‘Ik kan niet lezen of schrijven. Kun je me alsjeblieft helpen?’

Daar zit een schaamtedrempel – en deze mensen zijn daarom veel lastiger te bereiken. Mensen die zonder deze vaardigheden opgroeiden en een gezin vormen, gaan niet van nature voorlezen aan hun kinderen. En een kind dat niet wordt voorgelezen (in de jaren van nul tot vier) komt met een aanmerkelijk kleinere woordenschat naar de basisschool: slechts een derde van de woordenschat van een kind dat wél wordt voorgelezen. Dat is wat ik bedoel met kansenongelijkheid: het versterkt zichzelf. En dat is niet binnen één generatie opgelost. Het kan betekenen dat kinderen die misschien hartstikke pienter zijn toch met een enorme achterstand beginnen op school – en er vaak ook met een achterstand van af komen. Wat onze missie betreft: het compassie-deel daarvan bestaat uit de wens en het streven om voor iedereen dezelfde kansen te creëren.

Als compassie warmhartigheid is, hoe willen jij en je team dan jullie warme hart laten spreken in Nijmegen en omgeving?

We willen werken aan een inclusieve omgeving. Alles wat we doen, moet erop gericht zijn om mensen erbij te halen en om mensen te laten voelen dat ze belangrijk zijn. Warmhartigheid wil zeggen dat we bereid zijn om onze eigen belangen aan de kant te schuiven en iets willen neerzetten in het belang van een ander. Bij ons werkt niemand voor het geld. We willen iets betekenen voor onze medeburgers en daarom werken we hier.

De bibliotheek wordt voor 80% betaald vanuit de belasting die wij allemaal samen betalen aan de gemeente. Daarom vind ik dat elke cent die de gemeente aan de bibliotheek ten goede moet komen aan welvaart en welzijn van de inwoners. Dat staat voor mij aan de basis van alles wat wij doen.

Naast leesplezier richten jullie je als bibliotheek ook op ontwikkeling van informatievaardigheden. Kun je daar iets meer over vertellen?

Die informatievaardigheden heb je nodig om nu hetzelfde te kunnen doen als wat je een eeuw geleden deed met tijdschriften en boeken. Wij vinden dat iedereen moet kunnen meedoen in de maatschappij. Ouderen moeten in staat zijn om hun IB-aangifte op de website van de belastingdienst in te vullen. En we geven bijvoorbeeld informatie over phishing. Naast ouderen vormen leerlingen van basisscholen en middelbare scholen onze doelgroep als het om begeleiding gaat. We doen veel projecten rondom allerlei thema’s die voor deze groepen belangrijk zijn

Bij scholieren gaat het erover hoe je met elkaar omgaat in de samenleving. Er is veel sociale druk in hun leven. Dus hoe ga je in vrijheid met elkaar om? Daar zit ook een belangrijke digitale component aan: hoe ga je met elkaar om op internet? Voorbeeld: voor scholieren kan het gaan over onderwerpen als sexting, het ongevraagd rondsturen van seksueel getinte foto’s van klasgenoten. Sociale druk is zeker voor deze doelgroep heel lastig, want je wil er toch bij horen. We bespreken hoe je hiermee om gaat – hoe je weerbaar wordt temidden van al het digitale geweld. Je hoeft niet alles te accepteren en je hoeft niet overal in mee te gaan. Als culturele instelling willen we graag meebouwen aan een wereld waarin je erbij hoort tenzij – en niet een wereld waarin je erbij hoort zolang je je maar conformeert aan alles wat er langs komt.

Hoe willen jullie een maatschappelijke bijdrage leveren aan sociale cohesie en aandacht voor zwakkeren?

In ons strategisch beleidsplan 2020-2024 hebben we gezegd dat we minder aanbod-gestuurd en meer vraag-gestuurd willen werken. Bibliotheken willen nog wel eens de missionaris uithangen (‘wij vertellen u wel wat goed voor u is!’) maar we moeten veel meer in gesprek gaan met mensen. Mensen die leven in de wijk en daar tegen problemen aanlopen. Daar willen we kijken wat we kunnen toevoegen – en wie we daar nog meer bij nodig hebben.

Wij hebben als bibliotheek niet de wijsheid in pacht, kunnen niet alles zelf oplossen. We willen steeds meer de samenwerking aangaan, bijvoorbeeld met cultuurhuis De Lindenberg en met Bindkracht en Sterker. Om te kijken wat we bijvoorbeeld in Neerbosch Oost kunnen doen, waar geen vestiging zit van ons. Van vroeger uit was de gedachte: we hebben als bibliotheek ergens een vestiging en iedereen moet daar naar toe komen. En dan gaan we ze wel vertellen wat goed voor ze is. Gelukkig bewegen we daar al een tijd lang een stuk verder vandaan. We zijn nu aan het kijken, vooral in de wijken waar juist géén voorzieningen zijn, wat we kunnen toevoegen – het liefst samen met anderen. Samen willen we ontdekken wat er leeft en welke problematiek er heerst.

Daar heb je een mooi voorbeeld van met het Taalcafé in Het Octaaf, de basisschool in Neerbosch Oost. Hoe ging dat in zijn werk?

De directeur van Het Octaaf wist dat we in onze vestigingen Taalcafe’s doen en kwam met een verzoek: of we Nederlands wilden oefenen met ouders van de schoolkinderen. Zijn leerkrachten hadden een probleem. Vaak konden er geen oudergesprekken gevoerd worden zonder dat het kind erbij aanwezig was om voor de ouders te tolken. Dat wil je natuurlijk niet. De directeur: ‘Jullie Taalcafé’s zouden een uitkomst zijn maar jullie vestigingen zijn voor deze mensen heel ver weg, fysiek maar vooral gevoelsmatig. Kunnen jullie dit niet bij ons op school komen doen?’ Sindsdien doen we de Taalcafé’s op die school, dus in de wijk. Kijk, dat is de manier waarop we willen werken!

Ander voorbeeld: Wijkatelier Lindenholt is een bruisend hart in de wijk, waar ontzettend veel gebeurt en wat aangejaagd wordt door mensen uit die buurt zelf. Ook hier was best wel behoefte aan toevoeging van o.a. Taalcafé’s. Als je met die mensen in gesprek gaat, komen er vaak heel andere dingen uit (qua behoeften van de mensen) vergeleken met wat er op het stadhuis bedacht werd. Dit geeft voor ons de meerwaarde aan van het in gesprek zijn met de stad.

De Taalcafés op locatie zijn volgens jullie ook belangrijk voor autochtone burgers die laag geletterd zijn?

Jazeker! Stel je voor: jij kunt niet lezen of schrijven maar je wilt het wel graag leren. Eerst word je al aangesproken als zijnde laag-taalvaardig, dus je bent een soort patiënt of cliënt. Dat is al een drempel. Maar vervolgens moet je een gebouw in waar je eerst langs driehonderdduizend boeken moet voordat je aan je laaggeletterdheid kunt gaan werken. We moeten daar op een andere manier naar kijken: vanuit de behoefte van die mensen.

De bibliotheek biedt de mogelijkheid om overdag even de eenzaamheid te doorbreken door een warme plek te bieden aan iedereen, ook aan dak- en thuislozen. Hoe ervaren jullie dit zelf?

Eerder zei ik al dat we mensen nooit als overlast kunnen zien, wie ze ook zijn en wat ze ook doen. Zelfs mensen die ver van je staan in de manier waarop je zelf in de wereld staat, zijn een verrijking van je wereld. We hebben echt wel eens mensen moeten verwijderen uit de bibliotheek, maar dat is gelukkig meer uitzondering dan regel. Ik vind het belangrijk dat we als een van de weinige drempelvrije plekken in de stad gewoon beschikbaar blijven voor iedereen.

Tenslotte: welke boodschap of welke levensles zou jij de lezers van dit interview willen meegeven?

Je hebt papieren boeken, e-books, luisterboeken…maar er zijn ook ‘levende boeken’, mensen van vlees en bloed die hun verhaal vertellen.

Ik zou graag willen zeggen: ‘Lees een mens – en verbreed je blik!’ Dit is ook het motto van de ‘Living Library’, een rondreizende bibliotheek van verhalenvertellers, een initiatief dat jaren geleden ontstond in Denemarken om vooroordelen rond minderheden weg te nemen. Mensen met een niet-alledaagse achtergrond vertellen hun verhaal en bezoekers mogen deze persoon hun vragen stellen, heel persoonlijke vragen, gesteld in een intieme setting. Een tijdje terug kwam deze Living Library ook naar Bibliotheek De Mariënburg. De bezoekers konden in een één op één-gesprek kennis maken met een Syrische vluchteling, een genderloze politieman, een veganist, een wiskundige nerd, de dochter van een NSB-er en een transgender. Het waren mooie, verhelderende gesprekken die vooral veel vooroordelen wegnamen. Het was heel verrijkend voor beide partijen. Ik denk dat we er allemaal goed aan doen om met een open blik – en vragen stellend – onze medemensen tegemoet te treden. Want ieder mens is heel waardevol en neemt zijn of haar unieke plekje in het universum in. Ontmoetingen tussen mensen kunnen er niet genoeg zijn, want we kunnen niet zonder elkaar!

Tekst: Bert Janssen

Nijmegen Stad van Compassie op Facebook